1999/48 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

L.J. Lindeman

tegen

P. Blees, P. Scholtes en J. van der Hart (Eindhovens Dagblad)

Bij brief van 19 december 1998 met zes bijlagen heeft L.J. Lindeman te Eindhoven (klager) een klacht ingediend tegen P. Blees, P. Scholtes en J. van der Hart, allen werkzaam voor het Eindhovens Dagblad (betrokkenen).
Hierop heeft J.M. van der Hart, hoofdredacteur, gereageerd in een brief van 29 januari 1999.
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 25 juni 1999 in aanwezigheid van de heer Lindeman. Betrokkenen waren afwezig.

Naar aanleiding van de plotselinge ontstentenis van een der leden van de Raad, heeft klager desgevraagd laten weten geen overwegende bezwaren te hebben tegen behandeling van de zaak door de voorzitter en drie leden.

DE FEITEN

Klager heeft in brieven aan Scholtes en Blees meerdere malen aandacht gevraagd voor zijn opvattingen over omstandigheden bij de Ergonbedrijven. Betrokkenen hebben daar niet over gepubliceerd. Op een openbare vergadering van de Raadscommissie voor Sociale en Economische Zaken op 2 december 1998 heeft klager gebruik gemaakt van het inspreekrecht. Het Eindhovens Dagblad heeft daaraan in zijn verslaggeving geen aandacht besteed. Klager heeft vervolgens in een brief aan Scholtes nogmaals zijn opvattingen onder de aandacht gebracht en gevraagd waarom daarover geen bericht was verschenen. Deze brief bleef onbeantwoord.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager betoogt dat betrokkenen ten onrechte geen aandacht hebben besteed aan hetgeen hij bij de Raadscommissie naar voren heeft gebracht. Voorts vindt hij het onfatsoenlijk dat zijn brieven niet werden beantwoord.

Betrokkenen hebben niet op de klacht willen reageren.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Betrokkenen zijn vrij in hun selectie van nieuws, zodat hen geen verwijt kan worden gemaakt van het feit dat zij niet over klagers standpunt hebben gepubliceerd. Met betrekking tot het niet beantwoorden van brieven van klager overweegt de Raad dat het betrokkenen niet zou hebben misstaan als ze ten minste een ontvangstbevestiging aan klager hadden verstuurd, maar dat het ontbreken daarvan geen reden is om de klacht gegrond te bevinden.

BESLISSING

De Raad acht de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in het Eindhovens Dagblad te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 29 juli 1999 door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, mr. M.M.P.M. Kreyns, drs. P. Sijpersma en K. Wiese, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. I.H.J. Konings, secretaris.

Uitspraak 1999-48