1999/47 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

Canal+ Nederland BV

tegen

de hoofdredacteur van Reclameweek

Bij brief van 7 januari 1999 met één bijlage heeft F.H. van den Engel namens Canal+ Nederland BV, gevestigd te Hilversum (klaagster), een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van Reclameweek (betrokkene).
Hierop heeft drs. N.Hogerzeil-Hulsebos, hoofdredacteur, gereageerd in een brief van 31 januari 1999 met één bijlage.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 25 juni 1999 in aanwezigheid van partijen. Namens klaagster verscheen F.H. van den Engel, legal affairs manager.

Naar aanleiding van de plotselinge ontstentenis van een der leden van de Raad, hebben partijen desgevraagd laten weten geen overwegende bezwaren te hebben tegen behandeling van de zaak door de voorzitter en drie leden.

DE FEITEN

In het weekblad Reclameweek verscheen in nummer 1 van 6 januari 1999 een bericht onder de kop 'Canal+ ontkent gerucht naderend einde'. Daarin wordt vermeld dat volgens 'hardnekkige Hilversumse geruchten' de exploitatie van de Nederlandse tak van het abonneekanaal in juni 1999 stopt. Het aantal abonnees zou zijn blijven steken op 265.000, terwijl het 'break-even-point' op 400.000 abonnees zou liggen. Volgens een woordvoerder van Canal+, R. Muller, zijn de geruchten op niets gebaseerd en ligt het ledental op schema, zo luidt het bericht.
Naar aanleiding van deze publicatie is er contact geweest tussen partijen en heeft betrokkene Muller uitgenodigd voor een nader interview c.q. gesprek. Het resultaat daarvan werd, voorzien van commentaar en correcties door Muller en W. Moerer, gepubliceerd in Reclameweek nummer 3.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klaagster vindt de inhoud en strekking van het bericht onjuist en tendentieus. Het is louter gebaseerd op geruchten van onduidelijke herkomst, zonder dat nader onderzoek naar het waarheidsgehalte daarvan is gedaan. De media zijn door persberichten juist altijd op de hoogte gehouden van de voortdurende aanwas van abonnees van Canal+. Een bericht in een mediablad met als strekking de mogelijke ondergang van een televisiezender heeft ernstige gevolgen voor de zender, aldus klaagster. De door haar woordvoerder aangevoerde argumenten ter weerlegging van het gerucht zijn bovendien ten onrechte op geen enkele wijze in het artikel verwerkt. Volstaan is met een algemene ontkenning aan het eind van het bericht.

Volgens betrokkene is het waarheidsgehalte van de geruchten wel degelijk onderzocht. Twee gezaghebbende bronnen, waarvan één afkomstig uit het Canal+-netwerk, bevestigden deze. Het antwoord van Muller, woordvoerder van Canal+, op de aan hem door betrokkene voorgelegde vraag of er sprake was van het stoppen van de exploitatie van de Nederlandse tak van Canal+ in juni 1999, luidde: 'Die geruchten zijn op niets gebaseerd'. Ook in de communicatie ten behoeve van de publicatie over Canal+ die volgde op het onderhavige bericht en die door Muller en Moerer is gecorrigeerd, is die ontkenning niet nader toegelicht. Het in het bericht vermelde aantal abonnees is door Muller zelf aan de redactie medegedeeld. Overigens zijn in latere contacten met betrokkene weer andere aantallen genoemd, zodat ook thans nog niet duidelijk is hoeveel abonnees Canal+ heeft.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Betrokkene heeft aannemelijk gemaakt dat er geruchten circuleerden over een mogelijk naderend einde van Canal+, die door meerdere bronnen werden bevestigd. Er kon dan ook voor betrokkene aanleiding bestaan om aan deze geruchten een bericht te wijden. Het beginsel van hoor en wederhoor is daarbij in acht genomen.
Partijen hebben een verschillende versie van hetgeen er in het gesprek, voorafgaand aan de publicatie van het gewraakte bericht, door de woordvoerder van klaagster is gezegd. Volgens klaagster heeft Muller uitgebreid verteld waarom de geruchten niet konden kloppen. Betrokkene stelt echter dat er op de aan hem voorgelegde vraag slechts een ontkenning volgde. De Raad kan de inhoud van het gesprek niet vaststellen, maar wat daar ook van zij, Canal+ is door middel van het vervolgartikel uitvoerig in de gelegenheid gesteld om haar verhaal te doen. Over de inhoud van het tweede artikel is niet geklaagd, alhoewel ook daar met betrekking tot de geruchten niet meer in staat dan een ontkenning door Canal+.
Dit alles in aanmerking nemend, kan niet worden geoordeeld dat de grenzen zijn overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING

De Raad acht de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in Reclameweek te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 29 juli 1999 door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, mr. M.M.P.M. Kreyns, drs. P. Sijpersma en K. Wiese, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. I.H.J. Konings, secretaris.

Uitspraak 1999-47