1999/45 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

Politieregio Brabant-Noord

tegen

J. van den Dungen (De Telegraaf)

Bij brief van 22 december 1998 met 5 bijlagen heeft E.T. van Hoorn, korpschef, namens de Politieregio Brabant-Noord (klaagster) een klacht ingediend tegen J. van den Dungen en De Telegraaf (betrokkenen).
Hierop hebben J. van den Dungen en J.J.L. Verweij, adjunct-hoofdredacteur van De Telegraaf, namens betrokkenen gereageerd bij brieven van 17 en 19 januari 1999.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 25 juni 1999. Namens klaagster zijn mr. M.A. Bouwman en J.H.L.B.M. Hultermans verschenen. Betrokkenen zijn niet verschenen. Mr. Bouwman heeft ter zitting pleitnotities en nog een aanvullende productie overgelegd.

Naar aanleiding van de plotselinge ontstentenis van een der leden van de Raad, heeft klaagster desgevraagd laten weten geen overwegende bezwaren te hebben tegen behandeling van de zaak door de voorzitter en drie leden.

DE FEITEN

Op 13 november 1998 heeft klaagster een persbericht verspreid aan regionale en lokale media en aan het ANP betreffende het ontslag van een bij de Politieregio Brabant-Noord werkzame agent wegens ongewenst gedrag. Nog op diezelfde dag heeft Van den Dungen, verslaggever bij De Telegraaf, telefonisch contact opgenomen met Hultermans, medewerker externe communicatie van klaagster. In dit gesprek heeft Van den Dungen geïnformeerd naar de achtergrond van het ontslag. Vervolgens is op 14 november 1998 in De Telegraaf een artikel verschenen onder de kop "Ontslag agent na betasten van collega's".
In het artikel, dat uit vier alinea's bestaat, zijn persoonlijke gegevens van de desbetreffende agent opgenomen. Daarnaast vermeldt het diverse bijzonderheden over de achtergrond van het ontslag van de agent. In de tweede alinea wordt verwezen naar een woordvoerder van de Korpsleiding, volgens wie de agent behalve drie vrouwelijke collega's ook ten minste drie vrouwen buiten het werk onzedelijk zou hebben betast.

Kort na het verschijnen van het artikel heeft Hultermans Van den Dungen telefonisch benaderd om zijn bezwaren tegen het artikel kenbaar te maken. Bij faxbrief van 19 november 1998 heeft klaagster schriftelijk aan De Telegraaf meegedeeld van mening te zijn dat Van den Dungen onzorgvuldig heeft gehandeld. Zij heeft zich daarin gedistantieerd van de gewraakte publicatie en De Telegraaf verzocht het artikel te rectificeren. De Telegraaf heeft het verzoek bij faxbericht van 27 november 1998 afgewezen.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klaagster stelt dat door de redactie van het artikel - het noemen van de korpsleiding en verwijzen naar een woordvoerder - wordt gesuggereerd dat de in het artikel vermelde persoonlijke gegevens van de agent en de bijzonderheden over diens ontslag van een woordvoerder van de politie afkomstig zijn. Volgens klaagster heeft Hultermans echter, toen hij op 13 november 1998 door Van den Dungen werd benaderd, volstaan met een verwijzing naar de inhoud van het persbericht dat eerder die dag was verzonden. Klaagster stelt dat het artikel een groot aantal details bevat die niet door haar woordvoerder is verstrekt en die bovendien onjuist zijn. Zij wijst in dit verband op het gebruik van het woord "tenminste" in de tweede alinea van het artikel. Dit duidt er volgens haar op dat haar woordvoerder aan Van den Dungen zou hebben kenbaar gemaakt dat wellicht meer personen bij deze kwestie betrokken zijn geweest. Hultermans heeft zulks echter niet aan Van den Dungen meegedeeld.
In het telefoongesprek dat kort na de publicatie van het artikel plaatsvond heeft Hultermans aan Van den Dungen meegedeeld het zeer onzorgvuldig te vinden dat in het artikel persoonlijke gegevens van de ontslagen politieagent zijn opgenomen en dat een woordvoerder van de politie als bron wordt vermeld. Naar klaagster betoogt hadden betrokkenen vervolgens het artikel moeten rectificeren, hetgeen niet is gebeurd.
Een en ander heeft volgens klaagster tot gevolg dat haar goede naam, althans die van de afdeling PR en Voorlichting, ten onrechte in diskrediet is gebracht. Betrokkenen hebben volgens klaagster onzorgvuldig gehandeld, waardoor haar belangen zijn geschaad. Klaagster benadrukt in dit verband dat de afdeling naar aanleiding van de publicatie zowel intern als extern op de inhoud van het artikel is aangesproken.

Van den Dungen erkent dat de in eerste en vierde alinea opgenomen persoonlijke gegevens van de agent niet van klaagster of haar woordvoerder afkomstig zijn. Naar betrokkenen stellen wordt dit ook niet in het artikel gesuggereerd. Zij stellen voorts dat Hultermans in het telefoongesprek van 13 november 1998 wel degelijk aan Van den Dungen nadere informatie heeft verstrekt over het ontslag van de agent. De in de tweede en derde alinea vermelde bijzonderheden zijn volgens betrokkenen deels afkomstig van Hultermans en deels uit het door klaagster verzonden persbericht. In dit verband hebben zij verwezen naar een in het verweer van Van den Dungen opgenomen samenvatting van het telefoongesprek van 13 november 1998.
Van den Dungen stelt dat in het telefoongesprek dat plaatsvond na de publicatie door Hultermans alleen aan de orde is gesteld dat de personalia van de ontslagen agent in het artikel waren vermeld. Volgens hem is de overige inhoud van het artikel niet besproken en heeft Hultermans niet te kennen gegeven dat in het artikel onjuiste informatie zou zijn opgenomen of dat het rectificatie behoefde.
Volgens betrokkenen is geen sprake van onzorgvuldig handelen en bestond er geen reden om tot rectificatie over te gaan.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Vooropgesteld moet worden dat niet aan de orde is of de belangen van de ontslagen agent door het gewraakte artikel zijn geschaad, doch slechts of ten onrechte is gesuggereerd dat de gegevens in het artikel door klaagster c.q. haar woordvoerder zijn verstrekt en haar belangen hiermee zijn geschaad.
Partijen verschillen van mening over hetgeen door Hultermans over het ontslag is gezegd in het telefoongesprek van 13 november 1998. Uit hetgeen partijen naar voren hebben gebracht maakt de Raad op dat Hultermans zich in dat gesprek in elk geval niet heeft beperkt tot een enkele verwijzing naar het persbericht. Hiertoe wordt mede in aanmerking genomen dat dit gesprek volgens Hultermans ongeveer vijf tot tien minuten heeft geduurd.
De Raad is van oordeel dat in het artikel slechts gesuggereerd wordt dat de bijzonderheden, vermeld in de tweede alinea, door een woordvoerder van klaagster zijn verstrekt. Uit de door Van den Dungen gegeven samenvatting van het telefoongesprek moet worden opgemaakt dat het woord "tenminste", als vermeld in de tweede alinea van het artikel, niet door Hultermans is gebezigd. Alle omstandigheden in aanmerking genomen is de Raad echter van oordeel dat zulks onvoldoende grond oplevert voor het oordeel dat de grenzen zijn overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING

De Raad acht de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in De Telegraaf te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 29 juli 1999 door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, mr. M.M.P.M. Kreyns, drs. P. Sijpersma en K. Wiese, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. I.H.J. Konings, secretaris.

Uitspraak 1999-45