1999/44 niet-ontvankelijk

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

L.A. van Gasteren

tegen

P. Hemelrijk

Bij brief van 25 november 1998 met 14 bijlagen heeft mr. H.F. Doeleman, advocaat te Amsterdam, namens J.A. van Gasteren (klager) een klacht ingediend tegen P. Hemelrijk (betrokkene), werkzaam bij het Algemeen Dagblad.
Hierop heeft mr. E. E. van der Laan, advocaat te Amsterdam, namens betrokkene gereageerd bij brief van 19 januari 1999 met 5 bijlagen.
Namens klager is het klaagschrift aangevuld bij brief van 17 juni 1999 met 6 bijlagen en bij brief van 18 juni 1999 met 1 bijlage.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 25 juni 1999.

Namens klager zijn zijn echtgenote en mr. Doeleman verschenen. Betrokkene is verschenen en werd bijgestaan door mr. Van der Laan. Beiden hebben ter zitting pleitnotities overgelegd, mr. Doeleman nog een aanvullende productie.

Naar aanleiding van de plotselinge ontstentenis van een der leden van de Raad, hebben partijen desgevraagd laten weten geen overwegende bezwaren te hebben tegen behandeling van de zaak door de voorzitter en drie leden.

DE FEITEN

Op 2 november 1998 heeft betrokkene een "Open brief aan de Hoge Raad" opgesteld. Daarin wijst zij op het arrest van de Hoge Raad van 6 januari 1995 inzake Het Parool/Van Gasteren, waaruit volgens haar moet worden afgeleid dat niet meer over het oorlogsverleden van Van Gasteren mag worden gepubliceerd. In het stuk geeft betrokkene uitvoerig blijk van haar - negatieve - oordeel over klager, zijn oorlogsverleden en de uitleg die deze geeft aan voormeld arrest van de Hoge Raad.

Betrokkene heeft een afschrift van het stuk gestuurd aan alle landelijke media, hetgeen zij schriftelijk, onder toezending ervan mr. Doeleman heeft meegedeeld.
Bovendien heeft zij het stuk gepubliceerd op haar website op Internet.
Na ontvangst van het stuk van betrokkene heeft mr. Doeleman telefonisch aan betrokkene meegedeeld dat het verspreiden ervan jegens klager onrechtmatig is.

Hij heeft deze mededeling bevestigd bij brief van 6 november 1998 onder aansprakelijkstelling van betrokkene voor de daaruit voortvloeiende schade. Voorts heeft hij betrokkene daarbij gesommeerd hem een lijst te verschaffen van alle geadresseerden van het stuk, alsmede aan die geadresseerden een bericht te sturen dat er op neerkomt dat het als niet geschreven dient te worden beschouwd en dat daaraan geen aandacht dient te worden besteed.
Betrokkene heeft hierop bij brief van 7 november 1998 afwijzend gereageerd.
Diverse media hebben aandacht aan de kwestie besteed, waaronder de VPRO in het programma Aardse Zaken, waaraan betrokkene haar medewerking heeft verleend.
De klacht richt zich tegen al deze activiteiten.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN OVER DE ONTVANKELIJKHEID VAN DE KLACHT

Klager betoogt dat het versturen van de open brief aan alle landelijke media, het plaatsen van de open brief op Internet en de deelname van betrokkene aan het VPRO-radioprogramma Aardse Zaken moeten worden aangemerkt als journalistieke gedragingen.
In dit verband wijst klager erop dat betrokkene benadrukt dat zij zich als journalist in de uitoefening van haar beroep belemmerd voelt. In de open brief verwijst betrokkene naar een niet geplaatste column. Voorts was betrokkene in het radioprogramma van de VPRO aangekondigd en is zij geïnterviewd als journalist. Bovendien is de brief van betrokkene aan mr. Doeleman waarin zij meedeelt dat de open brief is verstuurd naar de landelijke media, afgedrukt op briefpapier van het Algemeen Dagblad.
Klager betoogt dat de open brief van betrokkene is te vergelijken met het geval waarin een journalist aan een krant een ingezonden brief stuurt, omdat zijn product in het eigen medium niet wordt gepubliceerd. Volgens klager is een dergelijke brief een journalistieke gedraging in de zin van artikel 4 lid 1 van het reglement van de Raad en is de Raad ook in deze kwestie bevoegd. Hij verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Raad inzake Oltmans/De Wit (RvdJ 1998, 43), waarbij de Raad in aanmerking nam dat de brief geschreven was door een journalist en ging over een journalistiek onderwerp.

Naar het oordeel van betrokkene is de Raad onbevoegd om over de open brief te oordelen.
Zij heeft dat stuk niet in de uitoefening van haar beroep, maar op persoonlijke titel geschreven. Oorspronkelijk wilde zij een column schrijven over de klager doch die is door ingrijpen van de klager niet gepubliceerd. Aldus heeft klager haar, volgens betrokkene, de mogelijkheid ontnomen om haar mening in het kader van haar beroepsuitoefening te uiten en daarmee zichzelf de mogelijkheid om betrokkene bij de Raad ter verantwoording te roepen.
Betrokkene wijst in dit verband op de doelstelling van de Stichting Raad voor de Journalistiek, als omschreven in artikel 2 van de statuten en artikel 4 lid 1 van het reglement van de Raad, waarvan formulering strikter is dan verwante definities bij vergelijkbare tuchtcolleges.
Volgens betrokkene is de bevoegdheid van de Raad derhalve beperkt. Een oprekking van de bevoegdheid van de Raad zou naar zij betoogt in strijd zijn met het legaliteitsbeginsel.

Bovendien zou het aannemen van bevoegdheid van de Raad volgens haar strijd leveren met het beginsel van fair play: klager zou dan immers "van twee walletjes eten" door eerst de beroepsuitoefening van betrokkene te verhinderen en vervolgens betrokkene na een persoonlijke uiting bij de Raad ter verantwoording te roepen.
In dit verband verwijst betrokkene nog naar de uitspraken van de Raad inzake Rozenberg/Baaijens (RvdJ 1994, 2) en Van Kan/Hendriks (RvdJ 1989, 23), waarin de Raad heeft overwogen dat het feit dat iemand journalist is niet met zich brengt dat handelingen die niet in de hoedanigheid van journalist zijn verricht niettemin ter toetsing aan de Raad kunnen worden voorgelegd. Ten slotte wijst betrokkene er, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad inzake Brown/Van Hout (RvdJ 1996, 21) op dat in artikel 4 lid 2 van het reglement van de Raad de publiciteitsmedia limitatief zijn opgesomd. Ook uit deze bepaling volgt dat de klacht niet kan worden ontvangen nu de opsomming in artikel 4 lid 2 niet een uiting als de open brief of het Internet omvat.

BEOORDELING VAN DE ONTVANKELIJKHEID VAN DE KLACHT

Beoordeeld dient te worden of de gewraakte gedragingen van betrokkene zodanig verband houden met haar beroepsuitoefening, dat zij om die reden aangemerkt moeten worden als journalistieke gedraging in de zin van artikel 4 van het reglement. Van belang is dat de open brief uitsluitend is openbaar gemaakt op de persoonlijke website van betrokkene op Internet.
Een persoonlijke website, al waar het hier om gaat, moet worden onderscheiden van de websites van de media. Die eerste wordt gebruikt om persoonlijke boodschappen te uiten. Velen maken gebruik van een dergelijk middel, niet slechts journalisten. Dat een journalist een dergelijke website gebruikt, maakt het karakter ervan niet anders en kan op zichzelf dan ook niet leiden tot de conclusie dat sprake is van een journalistieke gedraging in de zin van artikel 4 lid 1 van het reglement Raad voor de Journalistiek.
Voor zover klager heeft betoogd dat de intenties van betrokkene van belang zijn, overweegt de Raad dat haar gedragingen weliswaar waren gericht op het bereiken van aandacht in de media, maar dat het daarbij ging om een uiting van haar persoonlijke mening en dat zij zich daarbij niet onderscheidde van niet-journalisten die in de media aandacht vragen voor hun opvattingen.
Dat de begeleidende brief van betrokkene aan mr. Doeleman op briefpapier van het Algemeen Dagblad is geschreven, kan onder die omstandigheden zo min als het feit dat betrokkene naar aanleiding van de brief in een VPRO-radioprogramma is geïnterviewd, tot een andere conclusie leiden dan dat geen sprake was van journalistieke gedragingen in evenbedoelde zin.

BESLISSING

De Raad acht de klacht niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door de Raad op 29 juli 1999 door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, mr. M.M.P.M. Kreyns, drs. P. Sijpersma en K. Wiese, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. I.H.J. Konings, secretaris.

Uitspraak 1999-44