1999/43 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

Stichting Advocadur

tegen

L. van Almelo en de hoofdredacteur van Account

Bij brief van 3 maart 1999 met vijf bijlagen heeft H. Barcena namens de Stichting Advocadur (verder te noemen Advocadur) zetelend te Wehl (klaagster) een klacht ingediend tegen mr. L. van Almelo en de hoofdredacteur van Account (betrokkenen).
Hierop hebben betrokkenen gereageerd in een brief van 25 maart 1999 met twee bijlagen.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 10 juni 1999 zonder dat partijen daarbij aanwezig waren.

Naar aanleiding van de plotselinge ontstentenis van een der leden van de Raad, hebben partijen desgevraagd laten weten geen overwegende bezwaren te hebben tegen behandeling van de zaak door de voorzitter en drie leden.

DE FEITEN

Op grond van de stukken gaat de Raad uit van de volgende feiten.

Advocadur stelt zich blijkens haar statuten en brochure ten doel om belangeloze hulp te bieden bij 'juridische letselschade' aan 'slachtoffers van het doen en laten van juridische hulpverleners', in het bijzonder van advocaten, rechters, dekens van de Orde van Advocaten en rechtsbijstandverzekeraars.
In het blad Account van maart 1997 publiceerde Van Almelo, freelance journalist, een artikel over het tuchtrecht van de Nederlandse Orde van Advocaten. Aanleiding hiervoor vormden de uitkomsten van een onderzoek naar de afhandeling van klachten over advocaten van onderzoekers mr. N. Doornbos en mr. L.E. de Groot-van Leeuwen. De volgende passage uit het artikel is voor de klacht van belang:
Het toeval wil dat de Amsterdamse advocaat mr. F.W.P. Wolters de landelijke deken op 12 december vorig jaar schriftelijk heeft verzocht het tuchtrecht aan te passen. Wolters beklaagt zich over een ontevreden oud-cliënt en een stichting van ontevreden cliënten van advocaten (de stichting Advocadur), die niet alleen hem maar ook een handvol andere Nederlandse advocaten het leven zuur maken met onder meer 'smadelijke publiciteit' en 'telefoonterreur'. Wolters: 'Ik verzoek u te bevorderen -binnen de wellicht beperkte mogelijkheden die de Orde heeft- een aanzet te geven tot maatregelen die ertoe strekken dat lieden als ...(naam door mij weggelaten, L.v.A.) en de stichting Advocadur het tuchtrecht niet langer kunnen misbruiken'. Volgens Heemskerk zwicht de Orde met het aparte klaagkanaal voor Wolters noch voor querulanten. Heemskerk:' Het is in het algemeen zo dat een aantal mensen in Nederland een ontevreden grondhouding heeft en kwistig gebruik maakt van de middelen om te klagen (.....)'
Een verzoek van Advocadur om de gewraakte passage te rectificeren werd door betrokkenen afgewezen.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Advocadur betoogt dat de door Van Almelo aangehaalde uitlatingen van advocaat Wolters beschuldigende kwalificaties inhouden, die een smet werpen op de eer en goede naam van de stichting. Ze zijn volgens haar onjuist, grievend en schadelijk. Onderzoek naar de juistheid van de beschuldigingen heeft evenmin als hoor en wederhoor plaatsgevonden. De uitspraken van de algemeen secretaris van de Orde van Advocaten Heemskerk worden aan Advocadur gekoppeld en geven de beschuldigingen een onterecht waarheidsgehalte, aldus klaagster. Ook achteraf hebben betrokkenen niets gedaan om de schade te beperken of te herstellen.

Van Almelo stelt dat het artikel noch de gewraakte passage over Advocadur gaat. De stichting wordt slechts genoemd als een van de voorbeelden van degenen die het advocatentuchtrecht gebruiken. De suggestie dat Advocadur het tuchtrecht misbruikt is volgens hem afkomstig van Wolters. Het woord 'querulanten' is van Van Almelo en slaat op de categorie klagers die Heemskerk daarna omschrijft in zijn citaat. Of Advocadur tot deze categorie moet worden gerekend wordt in het midden gelaten. Van Almelo deed, naar hij stelt, geen verslag van een ruzie tussen Wolters en Advocadur en vond het niet nodig met een der partijen contact op te nemen. Het artikel bevat volgens betrokkenen geen onjuistheden, zodat er ook niets te rectificeren viel.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Advocadur is een organisatie die blijkens haar doelstellingen hulp biedt aan mensen die door gedragingen van advocaten zijn gedupeerd. Uit dien hoofde maakt zij geregeld gebruik van de klachtenprocedure van de Orde van Advocaten.
De omstreden passage heeft in hoofdzaak betrekking op een citaat uit een brief van een advocaat aan de Nederlandse Orde van Advocaten. De aard van de daarin geuite beschuldiging is niet van zodanig diffamerende aard dat wederhoor bij Advocadur noodzakelijk was. Ook onderzoek naar het waarheidsgehalte van de beschuldiging kon, mede gelet op de geringe betekenis die het citaat in het gehele artikel vervult, achterwege blijven.

BESLISSING

De Raad acht de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkenen deze beslissing integraal of in samenvatting in Account te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 20 juli 1999 door M.J. Kes als voorzitter, bij plotselinge ontstentenis van mr. R.W.L. Loeb, en de leden W.H.K. Ammerlaan, drs. G.H.J.M. Bueters en mw. mr. W. Sorgdrager, in tegenwoordigheid van mw. mr. I.H.J. Konings, secretaris.

Uitspraak 1999-43