1999/42 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

H.O. Westbroek

tegen

L. Ornstein en de hoofdredacteur van Vrij Nederland

Bij brief van 24 februari 1999 met 3 bijlagen heeft mr. J.H. van der Velden, advocaat te Utrecht, namens H.O. Westbroek (klager) een klacht ingediend tegen L. Ornstein en de hoofdredacteur van Vrij Nederland (betrokkenen).
Hierop heeft mr. G.J. Kemper, advocaat te Amsterdam, namens betrokkenen gereageerd in een brief van 6 april 1999 met 1 bijlage.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 10 juni 1999 in aanwezigheid van partijen en hun raadslieden.

DE FEITEN

Westbroek is voorzitter van de gemeenteraadsfractie van de politieke partij Leefbaar Utrecht te Utrecht. Tevens is hij popmuzikant, presenteert hij radioprogramma's en is hij mede-exploitant van een café in Utrecht. Begin januari van dit jaar heeft Ornstein hem benaderd met het verzoek zijn medewerking te verlenen aan een diepte-interview voor Vrij Nederland, waarvoor Ornstein meerdere dagen met Westbroek zou optrekken. Westbroek heeft daar positief op gereageerd.
Partijen hebben zesentwintig uur, verspreid over vier dagen, met elkaar doorgebracht. De gesprekken vonden gedeeltelijk plaats ten huize van Westbroek, maar ook op andere locaties. Van de gesprekken werd geen bandopname gemaakt. Partijen spraken af dat het interview vóór de publicatie ervan per fax aan Westbroek zou worden toegestuurd, opdat hij daarop zijn commentaar kon geven.
Ornstein wilde het concept op woensdagavond 20 januari met Westbroek bespreken, maar Westbroek bleek verhinderd te zijn. Partijen spraken vervolgens af dat het concept aan een vriend en collega van Westbroek, A.J.F. Schnetz, zou worden voorgelegd. Ornstein heeft het concept naar deze Schnetz gebracht en diens opmerkingen in de tekst verwerkt. Ornstein wilde geen kopie van het concept bij Schnetz achterlaten.
Partijen hebben op 21 januari nog telefonisch contact gehad, bij gelegenheid waarvan Westbroek Ornstein verzocht een passage, waarin hij de fractievoorzitter van D'66 in de gemeenteraad van Utrecht een 'acute dwarslaesie' toewenste, uit de tekst te schrappen. Ornstein liet Westbroek weten dat dit niet meer kon, omdat de tekst al bij de drukker lag. Het interview is gepubliceerd in Vrij Nederland, 30 januari 1999, nummer 4.
Westbroek heeft naar aanleiding daarvan een voor publicatie bestemde brief aan Vrij Nederland gestuurd, waarin hij zijn bezwaren tegen de gang van zaken uiteenzet en enkele door hem gesignaleerde onjuistheden aangeeft. Deze brief is nadien in Vrij Nederland gepubliceerd met een naschrift van Ornstein.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Volgens Westbroek heeft Ornstein zich niet aan de met hem gemaakte afspraken gehouden. Westbroek stelt dat hij met Ornstein had afgesproken dat hij in de gelegenheid zou worden gesteld om het interview te autoriseren, met name waar het citaten betrof. Mede gelet op de lange periode waarin Ornstein met hem is opgetrokken had Westbroek recht en belang bij nakoming van die afspraak. Het interview is ondanks toezegging niet aan hem gefaxt. Nadat Schnetz van het concept kennis had genomen, kreeg Westbroek geen gelegenheid nog wijzigingen en correcties aan te brengen. Westbroek is daardoor in zijn belangen geschaad omdat hij, als hij daartoe de gelegenheid had gekregen, een aantal onjuiste citaten had laten schrappen en een aantal andere citaten in een duidelijker context zou hebben doen plaatsen. Ook zou hij enkele citaten als niet geschikt voor publicatie hebben doen schrappen. De opmerking over de fractievoorzitter van D'66 had hij ten overstaan van Ornstein al onmiddellijk weer ingetrokken omdat hij deze te ver vond gaan. Desalniettemin is de opmerking vermeld. De publicatie van het interview heeft geleid tot veel kritiek, een groot aantal negatieve publicaties in de media en zelfs een dreiging met strafrechtelijke aangifte door B & W van Utrecht.

Ornstein betwist de door Westbroek gestelde afspraken. Er is volgens hem nooit sprake van geweest dat Westbroek de tekst zou kunnen autoriseren. Wel zou Westbroek het interview vóór publicatie ervan ter inzage krijgen. Hoewel partijen daar niet over hebben gesproken, was het volgens Ornstein de bedoeling dat Westbroek eventuele feitelijke onjuistheden en in een verkeerde context terechtgekomen citaten kon corrigeren. Over een 'slip of the tongue' zou ook te praten zijn. Hij zou de tekst aan Westbroek per fax toesturen, maar besloot uiteindelijk dat niet te doen. Het artikel bevatte een primeur -de mededeling van Westbroek dat hij zich kandidaat zou stellen voor het burgemeesterschap van Utrecht- en Ornstein was bang dat de tekst zou gaan slingeren en het nieuws zou uitlekken. Omdat Westbroek geen tijd had om het concept met Ornstein door te nemen, hebben partijen afgesproken dat hij dit aan zijn vriend en collega Schnetz zou overlaten. Ornstein ontkent met Schnetz te hebben afgesproken dat bepaalde citaten nog bij Westbroek zouden worden geverifieerd en dat daarover de volgende dag nog telefonisch contact zou zijn. Het telefoongesprek met Westbroek die volgende dag had een andere aanleiding. Westbroek wilde Ornstein op de hoogte stellen van een die dag verschenen interview met hem in Nieuwe Revu. Ornstein betoogt dat er voor hem geen enkele aanleiding bestond om Westbroek tegen zichzelf in bescherming te nemen.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Partijen verschillen van mening over bestaan en inhoud van tussen hen gemaakte afspraken. Het enige dat dienaangaande vaststaat is dat Ornstein de tekst voorafgaand aan publicatie per fax aan Westbroek zou toesturen. Die afspraak is hij niet nagekomen. Ornstein stelt dat daarvoor in de plaats een andere afspraak is gekomen, namelijk dat Schnetz in plaats van Westbroek de tekst zou becommentariëren. Hij heeft dat echter niet aannemelijk gemaakt. Gelet op de bijzondere aard van het interview volgt de Raad Westbroek voorts in zijn betoog dat deze wijze van ter inzage geven onvoldoende recht deed aan de oorspronkelijke afspraak, waarbij Westbroek de tekst zelf zou inzien. De wijze waarop het interview met Westbroek tot stand is gekomen -door zesentwintig uur in zijn nabijheid te vertoeven- wijkt zozeer af van wat gebruikelijk is dat aannemelijk is dat andere afspraken zijn gemaakt dan alleen correctie van feitelijke onjuistheden.
Onder die omstandigheden heeft Ornstein, met een beroep op -niet aannemelijk gemaakte- technische belemmeringen, het telefonisch verzoek van Westbroek om de passage over de dwarslaesie te schrappen ten onrechte niet gehonoreerd. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat de desbetreffende uitspraak al tijdens het interview was teruggenomen en Ornstein kon weten dat publicatie van dat citaat Westbroek in moeilijkheden zou kunnen brengen.

BESLISSING

De Raad acht de klacht gegrond.

De Raad verzoekt betrokkenen deze beslissing integraal of in samenvatting in Vrij Nederland te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 20 juli 1999 door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, W.H.K. Ammerlaan, drs. G.H.J.M. Bueters, M.J. Kes en mw. mr. W. Sorgdrager, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. I.H.J. Konings, secretaris.

Uitspraak 1999-42