1999/40 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

A.J. van der Leeuw en L. van Nouhuys

tegen

R. Zwaap en de hoofdredacteur van De Groene Amsterdammer

Bij brief van 17 december 1998 met 7 bijlagen, heeft mr. H.F. Doeleman, advocaat te Amsterdam, namens A.J. van der Leeuw te Heemstede en L. van Nouhuys te Brugge (klagers) een klacht ingediend tegen R. Zwaap en de hoofdredacteur van De Groene Amsterdammer (betrokkenen).
Hierop heeft de heer Zwaap gereageerd in een brief van 18 maart 1999 met 26 bijlagen

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 10 juni 1999, in aanwezigheid van Van der Leeuw, bijgestaan door mr. Doeleman, en Zwaap en M. van Amerongen (hoofdredacteur).

DE FEITEN

In De Groene Amsterdammer verscheen op 9 september 1998 een artikel over de geschiedenis van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (RIOD) van de hand van Zwaap, met de titel 'De oorlog is nooit voorbij'. Dit artikel bevat de volgende, voor de onderhavige klacht relevante, passages:
Neem bijvoorbeeld oud-RIOD-medewerker A.J. van der Leeuw, bekend als de onvermoeibare jager op Friedrich Weinreb, die door het RIOD zou worden gebrandmerkt als een "joodse verrader". Van der Leeuw vertelde in een interview met Frits Abrahams in NRC Handelsblad dat hij tijdens de oorlog "al snel in het studentenverzet" zat. In werkelijkheid, zo ontdekte de Groningse historicus J. Werkman, was Van der Leeuw als student in Groningen penningmeester bij het studentencorps Vindicat atque Polit, dat juist opviel door verregaande loyaliteit aan de bezetter, zoals Van der Leeuws vader, theoloog Gerardus van der Leeuw, professor aan de Groningse universiteit, ook al weinig oppositioneel lid werd van de Kulturkammer.

In tegenstelling tot de Groninger Studentenvereniging Vera, die zichzelf ontbond bij wijze van protest, gingen de leden van Vindicat vrolijk door met de activiteiten. "Universiteit en bestuur zijn belangrijker dan een paar mensen", aldus het Vindicat-bestuur, dat demonstraties ten bate van Joodse medestudenten fel afkeurde.

Toen in augustus 1942 de vaste fotograaf van Vindicat, Joël de Lange, als jood naar de kampen werd gezonden, kwam er geen enkel blijk van medeleven van de kant van het bestuur van de studentenvereniging. Het enige wat penningmeester Van der Leeuw deed was de bezettingsautoriteiten aanschrijven over hoe het zat met de terugbetaling van een lening die het corps aan de fotograaf had gegeven. Kortom, zo'n heroïsch verzetsverleden had Van der Leeuw niet. Dit zet vette vraagtekens bij de morele superioriteit die hij zichzelf toekende in zijn jacht op Weinreb.

Van der Leeuw reageerde per brief van 17 september 1998 aan de redactie van De Groene Amsterdammer op dit artikel. Hij bracht daarin zijn bezwaren er tegen naar voren en verzocht de hoofdredacteur deze brief bij wijze van weerwoord in De Groene Amsterdammer te publiceren. Op de brief noch op het verzoek volgde een reactie.

In De Groene Amsterdammer van 30 september 1998 besteedde Zwaap in een kort bericht aandacht aan het verzet van de Leidse Universiteit tegen de Koppelingswet. Dit verzet werd in verband gebracht met het verzet van de universiteit tijdens de Duitse bezetting tegen het uitbannen van joodse hoogleraren en andere docenten. Uit dit bericht is de volgende passage relevant voor de klacht:
Aan de Rijksuniversiteit Groningen bijvoorbeeld was de solidariteit ver te zoeken, zo bleek uit onlangs uit de archieven opgedolven notulen van het universiteitsleven aldaar. Tijdens een bijeenkomst van de Groningse studentenvereniging op 26 november 1940 liet een vertegenwoordiger van het grote, gerenommeerde studentencorps Vindicat weten dat "universiteiten en studentenverenigingen belangrijker zijn dan een paar mensen". De senatus Illustrissimus studiosorum Groningae van Vindicat ging zelfs over tot "actie tegen iedere demonstratie met betrekking tot maatregelen tegen de Joodsche docenten"

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Volgens klagers bevat het artikel van 9 september 1998 tal van onjuistheden. Ten onrechte zou voorts worden geïnsinueerd dat het Groninger studentencorps tijdens de Tweede Wereldoorlog een "foute" houding had tegenover de Duitse bezetter. Van der Leeuw maakte in die periode deel uit van de senaat van het studentencorps. Van enige "loyaliteit" aan de Duitse bezetter was volgens klagers wat de Groningse senaat en in het bijzonder Van der Leeuw betreft geen sprake. De senaat heeft in de periode 1940-1945 volgens hen integer en weloverwogen geopereerd, zoals valt te lezen in de openbare rede waarmee de toenmalige rector Van Nouhuys in 1945 over die periode verantwoording heeft afgelegd. Het corps bleef om juridische redenen, vooral ter bescherming van de eigendommen, formeel bestaan, maar feitelijk hield het corpsleven op. Het is onjuist dat 'de leden van Vindicat vrolijk doorgingen met de activiteiten'. De opmerking over de vader van Van der Leeuw is eveneens onjuist en bovendien niet ter zake voor de vraag of de houding van Van der Leeuw wel of niet 'fout' was. Zwaap maakte haar om een negatieve sfeer rond Van der Leeuw op te bouwen, aldus klagers.
Het citaat 'universiteit en bestuur zijn belangrijker dan een paar mensen' is volgens klagers in een onjuiste context geplaatst. Gesuggereerd wordt dat het Vindicat-bestuur destijds vond dat geen verzet tegen de numerus clausus moest worden geboden, omdat de universiteit en het bestuur van Vindicat belangrijker zouden zijn dan de joden die er door werden getroffen. Van Nouhuys bracht met deze uitlating echter juist tot uitdrukking dat zijn persoon, evenmin als die van de president-curator, bij het nemen van een besluit over wel of niet actie voeren van belang was in relatie tot het belang van de universiteit en de verenigingen. Dit zou blijken uit de notulen van de desbetreffende vergadering. Van het feit dat de corpsfotograaf De Lange in een concentratiekamp terechtkwam, was Van der Leeuw diep onder de indruk. Hij had echter ook de zorg voor de financiën van Vindicat en kon op dat moment niet meer doen dan bij de bezetter de aan de fotograaf verstrekte lening terugvorderen.
Klagers verwijten betrokkenen voorts dat zij het beginsel van hoor en wederhoor ten onrechte niet hebben toegepast. Een naar aanleiding van het eerste verschenen artikel ingezonden brief van Van der Leeuw, bedoeld als weerwoord, bleef bovendien onbeantwoord.

Wel plaatste De Groene Amsterdammer op 30 september 1998 opnieuw een bericht waarin het citaat van Van Nouhuys weer in een volgens klagers onjuiste dan wel onvolledige context werd geplaatst.

Zwaap stelt zijn artikel onder meer te hebben gebaseerd op documenten uit het Algemeen Rijksarchief. Uit de volledige passage in de notulen met het van Van Nouhuys afkomstige citaat blijkt volgens hem dat Van Nouhuys het wel degelijk over joodse medeburgers had toen hij stelde: "Universiteit en verenigingen zijn belangrijker dan een paar mensen". Zwaap haalt passages uit documenten aan, die volgens hem tot geen andere conclusie kunnen leiden dan dat de senaat van Vindicat iedere vorm van protest tegen het ontslag der joodse docenten is tegengegaan. Ook zou daaruit blijken dat Vindicat in 1940-1941 zeker niet van plan was zichzelf op te heffen en zich in die periode coöperatief opstelde jegens naar Duits model opgezette organisaties als de Opbouwdienst en de Winterhulp. Dit rechtvaardigt de conclusie dat sprake was van verregaande loyaliteit aan de Duitse bezetter, aldus Zwaap. Toen joden het lidmaatschap van non-commerciële verenigingen, waaronder studentenverenigingen, werd ontzegd, bleef Vindicat volgens hem wel actief. In 1942 werden nog drie leden geschorst wegens achterstallige betalingen en kwamen er zevenentwintig leden bij, zo zou blijken uit correspondentie uit die tijd. In mei 1942 verbleef de senaat op kosten van de vereniging in een hotel in Hummelo om zich te bezinnen op verleden en toekomst. Daarentegen ondernam men niets toen fotograaf De Lange in datzelfde jaar werd weggevoerd naar een concentratiekamp. Pas in november 1943 werd het corps in staat van liquidatie verklaard en hield het op te bestaan. Zwaap betoogt dat de rol van de vader van Van der Leeuw, hoogleraar Godsdienstwetenschappen aan de Universiteit van Groningen tijdens de bezetting, het vermelden waard was. Deze zou er voor hebben gepleit dat zijn zoon bij het RIOD werd aangenomen.
Zwaap betoogt dat hij in de artikelen zijn persoonlijke visie heeft verwoord om te prikkelen tot reactie en debat. Het eerste artikel is een analyse van de geschiedenis van het RIOD, gebaseerd op heel veel documentatie. Er worden geen sprekende personen opgevoerd, zodat volgens hem het beginsel van hoor en wederhoor niet aan de orde was. Hij betreurt het dat de hoofdredacteur destijds niet overging tot publicatie van de ingezonden brief van Van der Leeuw, een besluit waar hij overigens niet in werd gekend. De reactie van Van der Leeuw is volgens hem echter wel op de internet-site van de Groene Amsterdammer geplaatst.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Het gewraakte artikel heeft als hoofdonderwerp de geschiedenis van het RIOD. De achtergrond van oud-RIOD-medewerker Van der Leeuw en, in het verlengde daarvan, de rol van de studentenvereniging Vindicat tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn daar een onderdeel van. Voor het artikel werd gebruik gemaakt van historische archieven en eerder verschenen historische analyses. De Raad stelt voorop dat men over de interpretatie die aan bepaalde historische documenten moet worden gegeven van mening kan verschillen. De bedoeling van bepaalde in notulen vastgelegde uitlatingen is, zestig jaar na dato, uiteraard niet met zekerheid vast te stellen.

Het artikel van 9 september 1998 dat volgens klager is bedoeld als opiniestuk, om een discussie op gang te brengen, is met name waar het de passages over Van der Leeuw betreft, beschuldigend van toon. Deze toonzetting wordt versterkt doordat ook de, naar ter zitting is gebleken, overigens onjuist weergegeven, rol van Van der Leeuw senior in het stuk is betrokken.
De omschrijving van verregaande loyaliteit aan de bezetter is kennelijk malicieus bedoeld. Daarmee wordt een beeld opgeroepen van 'heulen met de vijand'. Deze kwalificatie wordt evenwel onvoldoende gedragen door de bijgebrachte feiten, nu daaruit slechts blijkt dat Van der Leeuw, c.q. Vindicat in een vroege periode van de bezetting niet actief stelling hebben genomen tegen de afgekondigde maatregelen tegen joodse docenten en studenten en organisaties als de Opbouwdienst en de Winterhulp. Publicatie van een beschuldiging als deze had niet mogen plaatsvinden zonder Van der Leeuw tenminste gelegenheid tot een weerwoord te bieden. Zeker nu de eerste publicatie, naar betrokkenen stellen, bedoeld was om een discussie op gang te brengen, had de ingezonden brief van Van der Leeuw geplaatst moeten worden. Dat de brief zelfs niet is beantwoord, is onder deze omstandigheden te meer onjuist.

BESLISSING

De Raad acht de klacht gegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in De Groene Amsterdammer te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 20 juli 1999 door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, W.H.K. Ammerlaan, drs. G.H.J.M. Bueters, M.J. Kes en mw. mr. W. Sorgdrager, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. I.H.J. Konings, secretaris.

Uitspraak 1999-40