1999/38 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

D. Douwes

tegen

het Limburgs Dagblad en S. Brun

Bij brief van 9 maart 1999 met acht bijlagen heeft D. Douwes (klager) een klacht ingediend tegen het Limburgs Dagblad en S. Brun (betrokkenen). In een brief van 2 april 1999 met twee bijlagen heeft P. Stiekema, adjunct-hoofdredacteur van het Limburgs Dagblad, namens betrokkenen op de klacht gereageerd. Bij brieven van respectievelijk 16 april 1999 met één bijlage en 20 april 1999 hebben klager en betrokkenen nader op elkaars standpunten gereageerd. Klager heeft tot slot nog gereageerd in een brief van 3 mei 1999.

De zaak is buiten aanwezigheid van partijen behandeld ter zitting van de Raad van 21 mei 1999.

DE FEITEN

Op grond van de stukken gaat de Raad uit van de volgende feiten.

Klager heeft een boek geschreven genaamd "Vuurwerk afsteken", welk boek op 1 november 1998 is verschenen. Eind november 1998 heeft M. van Laarhoven van het Limburgs Dagblad een recensie-exemplaar van het boek aangevraagd en vervolgens ontvangen. Op 10 december 1998 is in het Limburgs Dagblad een column van S. Brun gepubliceerd onder de titel "Vuur". De column haakt aan bij aandacht die kennelijk op televisie aan het verschijnen van het boek is besteed. In de column wordt klager niet bij name genoemd, maar het boek wel. Klager wordt in de column vergeleken met Raspoetin. Voorts wordt zijn boodschap ten aanzien van het gebruik van vuurwerk op sterk gechargeerde wijze behandeld.

Klager heeft bij brief van 15 december 1998 aan de redactie van het Limburgs Dagblad geklaagd over de column en gevraagd in de gelegenheid te worden gesteld de inhoud daarvan te corrigeren. Hoofdredacteur P. Stiekema heeft klager bij brief van 18 december 1998 bericht dat de column niet was gebaseerd op het aan Van Laarhoven toegezonden recensie-exemplaar van het boek, maar op het televisieoptreden van klager, alsmede dat Van Laarhoven na het verschijnen van de column heeft afgezien van het schrijven van een recensie. Voor het overige heeft hij de kwestie afgedaan met het feit dat hier sprake is van een column en dat over smaak niet valt te twisten. Klager heeft bij brieven van 19 december 1998 aan P. Stiekema en 14 januari 1999 aan S. Brun nader gereageerd en eerstgenoemde een factuur gezonden voor het recensie-exemplaar van het boek. Deze factuur is door het Limburgs Dagblad voldaan.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat betrokkenen onjuist hebben gehandeld nu de berichtgeving over zijn boek in het Limburgs Dagblad beperkt is gebleven tot de publicatie van een zijns inziens beledigende en lasterlijke column van Brun. Die column is er ten onrechte de oorzaak van dat een serieuze recensie van het boek achterwege is gebleven. De toon noch de strekking van de column wijzen volgens klager op humor of satire, zodat het om meer gaat dan een verschil in smaak. Betrokkenen hadden volgens klager de gelegenheid moeten bieden tot weerwoord of een rectificatie moeten plaatsen.

Betrokkenen stellen dat Brun zich uitsluitend heeft gebaseerd op de uitzending van een televisieprogramma. Dat collega Van Laarhoven het boek ter recensie had aangevraagd was Brun niet bekend, noch kende hij de inhoud van het boek. Van Laarhoven heeft volgens betrokkenen van recensie van het boek afgezien mede omdat in het boek soms wel erg frivool over het omgaan met vuurwerk wordt geschreven, terwijl twee negatieve stukjes over een betrekkelijk onbenullig boekje van het goede teveel zou zijn geweest, aldus betrokkenen. De vergelijking met Raspoetin sloeg uitsluitend op het uiterlijk van klager, aldus betrokkenen. De hele teneur van de column was volgens betrokkenen op humoristische wijze te waarschuwen tegen onverantwoord gebruik van vuurwerk in het algemeen en tegen mensen die anders dan uiterst restrictief beleid terzake van vuurwerk voorstaan, in het bijzonder.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Hoewel begrijpelijk is dat klager de gewraakte column als hoogst onaangenaam ervaart, valt de overduidelijk gechargeerde en bewust eenzijdige wijze waarop Brun daarin reageert op de, naar zijn inzicht kennelijk onverantwoorde, opvattingen van klager over het gebruik van vuurwerk binnen de vrijheid die een columnist toekomt: het negatieve beeld dat, op geen andere basis dan "zo'n tv-journaal-item dat alles bij elkaar een minuut duurt", van de persoon van klager wordt geschilderd heeft onmiskenbaar slechts ten doel onderstreping van de boodschap dat die opvattingen van een gevaarlijke naïviteit getuigen. Dit leidt tot de slotsom dat de klacht in alle opzichten ongegrond moeten worden verklaard.

BESLISSING

De Raad acht de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkenen aan deze uitspraak aandacht te besteden in het Limburgs Dagblad.

Aldus vastgesteld door de Raad op 9 juli 1999, door mr. J.B. Fleers, voorzitter, W.H.K. Ammerlaan, M.J. Kes, prof. drs. E. van Thijn en K. Wiese, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.R. Creutzberg, secretaris.

Uitspraak 1999-38