1999/37 gegrond

 

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
X
 
tegen
 
Rotterdams Dagblad en P. Smits
 
Bij brief van 4 maart 1999 met één bijlage heeft X (klager) een klacht ingediend tegen Rotterdams Dagblad en P. Smits (betrokkenen). In een brief van 29 maart 1999 met vijf bijlagen hebben J. Prins, hoofdredacteur van Rotterdams Dagblad en P. Smits op de klacht gereageerd. Klager heeft bij brief van 17 april 1999 zijn standpunt nader uiteengezet.
 
De zaak is buiten aanwezigheid van partijen behandeld ter zitting van de Raad van 21 mei 1999.
 
DE FEITEN
 
Op grond van de stukken gaat de Raad uit van de volgende feiten.
 
De vader (Y) en broer (Z) van klager worden door het Openbaar Ministerie vervolgd terzake van oplichting. In het Rotterdams Dagblad van 20 februari 1999 is een artikel van de hand van P. Smits verschenen, waarin Z uitgebreid in de gelegenheid is gesteld zijn visie op het gebeurde te geven. In dit artikel is onder meer de volgende passage opgenomen:
“Een verhaal apart vormen de verhoudingen binnen het zeven kinderen tellende gezin (…). De activiteiten van Z en zijn vader hebben voor een scheiding der geesten gezorgd. Zo heeft de hooggeleerde broer X hard getrokken aan de vervolging van Z en zijn vader nadat eerdere pogingen dit in familiekring op te lossen op niets waren uitgelopen. Samen met stichting De Keursteen, die misstanden binnen streng christelijke kring bestrijdt. Ze beweren ook dat de drie bejaarden slechts een flauwe afspiegeling vormen van het daadwerkelijke aantal gedupeerden.
Met name voor de ouders hebben de perikelen grote gevolgen gehad. Advocaat Koevoets: ‘Vijf jaar geleden ging Z failliet. Dat was voor zijn vader en moeder dramatisch.’ Broer X nam na het faillissement van Z het huis over opdat pa en ma (…) in hun huis konden blijven wonen. Omdat vader niet wilde bekennen fout te zijn, zijn ze echter met hun thuiswonende dochter vorig jaar het huis uitgezet, officieel vanwege een huurachterstand. ‘En nu zitten ze op tientjesniveau omdat X ze het huis uit heeft gezet,’ vult Z aan.”
Met betrekking tot het artikel heeft wat klager betreft geen wederhoor plaatsgevonden.
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klager stelt zich op het standpunt dat in de geciteerde passage diverse onjuistheden zijn vermeld, welke hij deels bovendien als zeer kwetsend ervaart. Hij meent dat hij eenvoudig herkenbaar is voor zijn omgeving. Klager stelt dat betrokkenen ten opzichte van hem wederhoor hadden moeten toepassen. Hij is doorgaans goed bereikbaar en is door betrokkenen niet benaderd.
 
Betrokkenen voeren aan dat klager zelf reeds voor en na deze publicatie de publiciteit heeft gezocht. Klager is door betrokkenen bewust opgevoerd als "hooggeleerde" om het contrast met zijn broer aan te geven en onder zijn voornaam in plaats van zijn voorletters, om verwarring met zijn vader te voorkomen. Het was niet de bedoeling hem duidelijk herkenbaar voor een groot publiek neer te zetten, hetgeen volgens betrokkenen ook niet is gebeurd. Ten aanzien van het wederhoor merken betrokkenen op dat zij, na alle publiciteit die reeds aan de kwestie was gewijd, het journalistiek relevant vonden Z eens aan het woord te laten. Een deel van de punten waarover is geklaagd komt uit het gesprek met Z voort, een deel uit eigen onderzoek, aldus betrokkenen. Wel is klager diverse keren gebeld voor wederhoor, maar was hij niet bereikbaar.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
Zoals betrokkenen blijkens het door hen gevoerde verweer ook erkennen, had de twijfelachtige rol die in de aangehaalde passage in verschillende opzichten aan klager wordt toegedicht voor betrokkenen aanleiding moeten zijn om niet tot publicatie over te gaan voordat klager de gelegenheid was geboden zijn lezing van de gang van zaken te geven. Betrokkenen stellen weliswaar dat zij daartoe tevergeefs pogingen in het werk hebben gesteld, maar de Raad acht niet aannemelijk dat zij in dit opzicht alles hebben gedaan wat in hun vermogen lag. Voor wederhoor was in dit geval reden te meer nu bekend was dat tegen degene die in het artikel aan het woord werd gelaten (broer Z) een strafrechtelijk onderzoek terzake van oplichting liep. Een en ander leidt tot de slotsom dat betrokkenen, door ondanks het achterwege laten van wederhoor tot publicatie van de gewraakte passage over te gaan, de grenzen hebben overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.
 
BESLISSING
 
De Raad acht de klacht gegrond.
 
De Raad verzoekt betrokkenen aan deze uitspraak aandacht te besteden in Rotterdams Dagblad.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 9 juli 1999, door mr. J.B. Fleers, voorzitter, W.H.K. Ammerlaan, M.J. Kes, prof. drs. E. van Thijn en K. Wiese, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.R. Creutzberg, secretaris.
 
Uitspraak 1999-37