1999/30 ongegrond niet-ontvankelijk

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

A.W. van Lijssel

tegen

In de Strengen

Bij klaagschrift van 16 november 1998 met zes bijlagen, aangevuld bij brief van 22 november 1998, heeft A.W. van Lijssel (klager) een klacht ingediend tegen In de Strengen (betrokkene), het verenigingsorgaan van de Koninklijke Vereniging Warmbloed Paardenstamboek Nederland (KWPN). In een brief van 16 december 1998 heeft J. Goedgebure, directeur van KWPN, op de klacht gereageerd. Klager heeft bij brief van 2 januari 1999 op laatstgenoemde brief gereageerd.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 25 maart 1999. Klager is verschenen, betrokkene is niet verschenen.

DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten.

Op 24 juni 1998 heeft klager een ingezonden stuk, getiteld "Red het Gelders paard", gezonden aan betrokkene met het verzoek dit in de editie van 16 juli 1998 te plaatsen, voorafgaand aan de Nationale Dag van het Gelders paard op 1 augustus 1998. Het artikel is noch in de editie van 16 juli, noch in die van 30 juli 1998 geplaatst. De hoofdredacteur van betrokkene heeft klager nadien telefonisch meegedeeld dat het bestuur van KWPN het ingezonden stuk niet wilde plaatsen, maar een gesprek met klager wilde voeren.

Klager heeft op 1 augustus 1998 tijdens de nationale keuring van het Gelders paard een aantal exemplaren van zijn artikel uitgedeeld, onder andere aan een redacteur van betrokkene. In de editie van 13 augustus 1998 van In de Strengen is een artikel verschenen onder de kop "Gelderse fokkers in beroering", met als subtitel "Begripsbepaling binnen Gelderse fokkerij gewenst".

Op 9 september 1998 heeft een gesprek tussen klager, het algemeen bestuur van KWPN en het bestuur van de afdeling Gelders paard plaatsgevonden. Tijdens dit gesprek zijn argumenten uitgewisseld met betrekking tot een wenselijke toekomstige stamboekrichtlijn en is afgesproken de mening te peilen van de fokkers van het Gelders paard. Ook na dit gesprek is het artikel van klager niet in In de Strengen geplaatst.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat de hoofdredacteur van In de Strengen zich coöperatief opstelt ten aanzien van het bestuur van KWPN door - ondanks een eerdere toezegging zijnerzijds - het ingezonden stuk van klager niet te plaatsen. Hij acht het onjuist dat de Gelderse fokkers niet in de gelegenheid worden gesteld tijdig vóór de peiling van hun mening over een wenselijke stamboekrichtlijn kennis te nemen van zijn artikel. Het artikel dat in de editie van 13 augustus 1998 in In de Strengen is geplaatst doet volgens klager geen recht aan zijn ingezonden stuk, nu de kern daarvan niet in het artikel is verwerkt, het artikel naar zijn mening een negatieve teneur heeft en de lezers niet de kans krijgen van zijn argumenten in onderlinge samenhang kennis te nemen.

Betrokkene wijst erop dat de verantwoordelijkheid voor het al dan niet opnemen van externe mededelingen - waaronder brieven - in het verenigingsorgaan bij de directie ligt, althans in laatste instantie bij het algemeen bestuur van KWPN. Over het beleid op het gebied van bloedvoering van het Gelderse paard is volgens betrokkene in de loop van 1998 veelvuldig overleg gevoerd. Klager heeft, zo stelt betrokkene, zowel in commissie- als ledenvergaderingen reeds zijn visie kunnen verwoorden. Betrokkene achtte het dan ook niet opportuun de lopende discussie te beïnvloeden met publicitaire acties en heeft om die reden besloten het ingezonden stuk van klager niet te doen plaatsen.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Voor zover de klacht betrekking heeft op de weigering van betrokkene het ingezonden stuk van klager in In de Strengen te plaatsen, is de klacht niet-ontvankelijk. Betrokkene heeft immers onweersproken gesteld dat de betreffende beslissingsbevoegdheid berust bij de directie c.q. het bestuur van KWPN, niet bij de redactie van In de Strengen. Een beslissing op dit punt van de directie en/of het bestuur betreft geen journalistieke gedraging. Indien juist zou zijn dat de hoofdredacteur een toezegging tot plaatsing van het artikel heeft gedaan, is dat betreurenswaardig omdat hij een dergelijke toezegging niet kón doen, maar leidt dat niet tot ontvankelijkheid van de klacht.

Voor zover de klacht betrekking heeft op de inhoud van het artikel van 13 augustus 1998 is de klacht ongegrond. In het artikel is immers aandacht besteed aan de door klager beschreven controverse. Klager heeft op basis van de inhoud van het artikel, waarin klager niet is genoemd, geen recht op hoor en wederhoor.

BESLISSING

De Raad acht de klacht deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene aan deze uitspraak aandacht te besteden in In de Strengen.

Aldus vastgesteld door de Raad op 18 mei 1999, door prof. mr. W.D.H. Asser, voorzitter,
mr. A.J. Heerma van Voss, mw. J.A. Koerts, W.F. de Pagter en drs. K.J. van der Zande, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. A.R. Creutzberg, secretaris.

Uitspraak 1999-30