1999/29 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

De Stichting World Islamic Mission en
Mauluna Shah Ahmad Noorani Siddiqui

tegen

H. Müller en de Volkskrant

Bij klaagschrift van 13 november 1998 met twaalf bijlagen heeft mr. R.V. de Lauwere als gemachtigde van de Stichting World Islamic Mission en Maulana Shah Ahmad Noorani Siddiqui (klagers) een klacht ingediend tegen H. Müller en de Volkskrant (betrokkenen). In een verweerschrift van 23 december 1998 met zes bijlagen hebben H. Müller en P. Brill, adjunct-hoofdredacteur van de Volkskrant, op de klacht gereageerd. Klagers hebben bij brief van 23 maart 1999 nog een aanvullende productie in het geding gebracht.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 25 maart 1999. Namens klagers zijn verschenen mr. De Lauwere en R.K. AbdurRahman. Namens betrokkenen zijn H. Müller en P. Brill verschenen. Mr. De Lauwere heeft ter zitting pleitnotities en nog een aanvullende productie overgelegd.

DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten.

Maulana Shah Ahmad Noorani Siddiqui (Noorani) is de geestelijk leider van de stroming binnen de soenitische Islam waartoe de stichting World Islamic Mission (WIM) behoort. WIM coördineert onder meer de activiteiten van Noorani in Nederland. In Zwolle is enige jaren geleden een conflict binnen het bestuur van de moskee aldaar ontstaan. Dit conflict heeft geresulteerd in het voeren van verschillende gerechtelijke procedures tussen onder andere WIM en de imam te Zwolle, M.C. Goelab (Goelab). De rechtbank te Zwolle heeft bij beschikking van 11 maart 1999 - bekrachtigd door het gerechtshof bij beschikking van 10 november 1998 - Goelab en de rond hem gevormde groep ontslagen als bestuurders van - kort gezegd - de moskee te Zwolle.

In de Volkskrant van 16 oktober 1998 is over klagers een artikel van de hand van H. Müller verschenen. Op de voorpagina is een kort stukje gepubliceerd onder de kop "Moslimleider wekt onrust Surinamers met absolutisme". In dit stukje wordt verwezen naar het artikel op pagina 13. Op 7 en 11 november 1998 zijn nog twee aanvullende artikelen over klagers in de Volkskrant verschenen.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klagers zijn van mening dat in de artikelen een groot aantal onjuistheden is vermeld en dat deze beledigend en onnodig grievend zijn jegens Noorani. Betrokkenen hebben volgens klagers uit niets kunnen afleiden dat Noorani absolute gehoorzaamheid zou willen afdwingen van de Surinaamse moskeeën in Nederland. Onjuist en ongefundeerd is volgens klagers ook de bewering dat Noorani tegenstanders wil laten doden of verminken. Betrokkenen hebben naar hun mening onvoldoende feitenonderzoek gedaan en hebben klagers niet in de gelegenheid gesteld op de voorgenomen publicaties te reageren. Betrokkenen zijn volgens klagers onzorgvuldig te werk zijn gegaan en hebben de grenzen overschreden van wat, gelet op de eisen van de journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

Betrokkenen merken op dat Müller deskundig is op het gebied van de islamologie. Hij heeft niet alleen met Goelab, maar met verschillende informanten gesproken en heeft ook overigens informatie verzameld. Naar zijn mening gaat het in Zwolle om veel meer dan een intern conflict en is sprake van een opstand van de moskeegangers tegen de invloed van Noorani.
Müller stelt voorafgaand aan de publicatie telefonisch contact hebben gezocht met Noorani, maar daarin niet geslaagd te zijn. Na de publicatie is een ingezonden brief geplaatst van R.K. AbdurRahman. Betrokkenen zijn van mening dat de klacht ongegrond is.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Dat de gewraakte artikelen een voor klagers negatieve teneur hebben leidt niet tot gegrondheid van de klacht.
In de artikelen zijn echter enkele passages opgenomen die niet of onvoldoende door de door betrokkenen genoemde bronnen worden gedragen. De Raad doelt hier op de passages waarin gesteld wordt dat Noorani zijn volgelingen oproept om tegenstanders de knieën te breken, hun huizen in brand te steken danwel hen te doden. Ook de vermelding dat de geregelde oproep van Saddam Hussein om een heilige oorlog Noorani uit het hart zou zijn gegrepen is onvoldoende op bronnen gebaseerd. In zoverre zijn de klachten gegrond.

De bezwaren van klagers tegen de artikelen kunnen voor het overige niet voldoende op juistheid worden beoordeeld, danwel zijn van dien aard dat ook indien zij juist zouden zijn, zij niet tot gegrondheid van de klacht kunnen leiden. De Raad kan niet treden in hetgeen uit monde van zegslieden wordt geciteerd.

BESLISSING

De Raad acht de klacht deels gegrond.

De Raad verzoekt betrokkenen aan deze uitspraak aandacht te besteden in de Volkskrant.

Aldus vastgesteld door de Raad op 18 mei 1999, door prof. mr. W.D.H. Asser, voorzitter, mr. A.J. Heerma van Voss, mw. J.A. Koerts, W.F. de Pagter en drs. K.J. van der Zande, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. A.R. Creutzberg, secretaris.

Uitspraak 1999-29