1999/28 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

Bureau Mock v.o.f.

tegen

J. Ramaer en de Volkskrant

Bij klaagschrift van 12 november 1998 met elf bijlagen heeft Bureau Mock v.o.f. (klaagster) een klacht ingediend tegen J. Ramaer en de Volkskrant (betrokkenen). Bij brief van 9 december 1998 met drie bijlagen heeft Y. Zonderop, adjunct-hoofdredacteur van de Volkskrant namens betrokkenen op de klacht gereageerd. Klaagster heeft bij brief van 28 januari 1999 op het verweer van betrokkenen gereageerd.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 25 maart 1999. Namens klaagster zijn H. Mock en C. Kamp verschenen. Namens betrokkenen zijn verschenen J. Ramaer en Y. Zonderop.

DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten.

WE International B.V. (WE) heeft in het najaar van 1998 een poging gedaan Koninklijke Bijenkorf Beheer KBB N.V. (KBB) over te nemen, nadat eerder het Vendex-concern reeds had laten weten een openbaar bod op KBB te zullen uitbrengen. Klaagster is door WE bij voornoemde kwestie ingeschakeld als haar woordvoerder en public relations adviseur.
Op 8 oktober 1998 is in de Volkskrant een artikel verschenen onder de kop "Afgedankte pr-man: 'Ik ben woordvoerder'". Het artikel bevat de volgende tekst:

"WE International heeft een nieuwe PR-adviseur: Charles Huijskens. 'Ik ben maandag gevraagd door Ronald de Waal', de directeur-eigenaar van WE, aldus de voormalige parlementaire journalist van De Telegraaf en het NOS-journaal.
Zijn benoeming komt na een blunder van WE's huidige PR-bureau Mock. Dat zou gesuggereerd hebben dat WE desnoods niet zal terugschrikken voor een vijandige overname. Dankbaar benutte KBB's president-commissaris Hazelhoff deze buitenkans om WE's herhaalde vriendelijke bedoelingen verdacht te maken. Klein probleempje: WE heeft nu twee PR-adviseurs. Harry Mock: 'Ik heb net nog aan de telefoon vragen van journalisten beantwoord. Voor zover ik weet ben ik de woordvoerder van WE International'. Dat gaat dan nu veranderen, meldt Huijskens. 'In cruciale gevallen zal Ronald de Waal voortaan zelf het woord voeren.'

Op 9 oktober 1998 heeft WE in een persbericht meegedeeld dat de samenwerking met klaagster in goed overleg en op verzoek van klaagster is beëindigd. Voorts heeft zij zich gedistantieerd van de gewraakte publicatie in de Volkskrant. Bij faxbrief van gelijke datum aan J. Ramaer heeft C. Huijskens verklaard dat de suggestie dat hij Ramaer nog gesproken heeft ná het contact tussen laatstgenoemde en H. Mock, niet juist is. Ook heeft hij daarin gesteld: "Ik heb dus ook niet gezegd: dat gaat dan nu veranderen. (Of soortgelijke woorden.) Deze zinsnede, zo zei je me zojuist, staat niet tussen aanhalingstekens omdat dit een conclusie van jou zelf is."

Eveneens op 9 oktober 1998 heeft klaagster betrokkenen verzocht het artikel van 8 oktober 1998 te rectificeren. Omdat iedere reactie uitbleef heeft klaagster op 11 oktober 1998 hier nogmaals aandacht voor gevraagd. Betrokkenen hebben het verzoek om een rectificatie bij brief van 12 oktober 1998 afgewezen. Bij brief van 19 oktober 1998 aan betrokkenen heeft klaagster nogmaals aangedrongen op rectificatie danwel, indien betrokkenen daartoe nog altijd niet bereid waren, het plaatsen in de Volkskrant van een bij die brief gesloten ingezonden brief van klaagster. Op 27 oktober 1998 hebben betrokkenen klaagster bericht ook daarvoor geen aanleiding te zien.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klaagster stelt dat zij niet door WE is afgedankt; zij heeft zelf de relatie met WE beëindigd. Klaagster stelt dat Huijskens ten tijde van het artikel door R. de Waal was aangetrokken als diens persoonlijk adviseur en niet als woordvoerder van WE. Voorts kunnen betrokkenen volgens klaagster niet zonder enige kennis van de verdere achtergrond stellen dat het niet uitsluiten van de mogelijkheid van een vijandige overname een blunder van klaagster is geweest. Voor zover al sprake zou zijn van een "blunder" mogen de opdrachtgever en de woordvoerder/adviseur niet zonder meer worden vereenzelvigd. Klaagster stelt dat zij hier in haar contact met betrokkenen niet uitgebreid op kon ingaan gelet op de vertrouwensrelatie tussen haar en haar opdrachtgeefster.
Een rectificatie of plaatsing van een ingezonden brief was volgens klaagster op zijn plaats geweest. Zij is van mening dat betrokkenen de grenzen hebben overschreden van wat, gelet op de eisen van de journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

Betrokkenen merken op dat toen Ramaer op 7 oktober 1998 Huijskens en Mock sprak, geen van beiden het onderscheid hebben gemaakt dat Huijskens alleen als persoonlijk adviseur van De Waal zou fungeren en klaagster als woordvoerder/adviseur voor WE. Mock reageerde verrast op het bericht dat Huijskens was aangesteld. Op basis van de beide verklaringen mocht Ramaer aannemen dat WE op het punt stond haar oude woordvoerder in te ruilen voor een nieuwe, aldus betrokkenen. De term "blunder" slaat volgens betrokkenen op het feit dat KBB-president-commissaris Hazelhoff kon verklaren dat WE een vijandig bod op KBB overwoog, zonder dat WE deze verklaring terstond tegensprak. De kwalificatie "blunder" is afkomstig van Ramaer en is volgens betrokkenen wellicht hard, maar alleszins verdedigbaar. De mededeling dat de samenwerking tussen WE en klaagster op verzoek van klaagster is beëindigd, hebben betrokkenen voor kennisgeving aangenomen. Zij hebben daaraan geen aandacht besteed, nu het in het bedrijfsleven heel gebruikelijk is dat meningsverschillen in persverklaringen worden toegedekt om schade aan de reputatie van een der partijen te voorkomen.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Het gewraakte artikel suggereert dat klaagster een blunder heeft gemaakt en dat haar opdrachtgeefster om die reden geen gebruik meer wilde maken van haar diensten. Daargelaten of de bedoelde handelwijze als "blunder" kan worden aangemerkt, is deze berichtgeving onnodig suggestief en onvoldoende gebaseerd op bronnen. Betrokkenen hebben door over "blunder" te spreken ten onrechte geen onderscheid gemaakt tussen de opdrachtgeefster WE en klaagster als de woordvoerder/adviseur van WE en onvoldoende de mogelijkheid verdisconteerd dat de "blunder" niet aan Mock maar aan WE zelf zou kunnen worden toegerekend.
Ook het gesuggereerde verband tussen de vermeende blunder en het aantrekken van Huijskens kan niet worden vastgesteld. Betrokkenen hebben dan ook conclusies getrokken die niet op feiten althans bronnen zijn gebaseerd. Voor deze berichtgeving had het op de weg van betrokkenen gelegen aan WE te vragen of zij het handelen van klaagster als "blunder" heeft ervaren. Betrokkenen hadden zich bovendien behoren te realiseren dat klaagster in haar mededelingen over de kwestie werd beperkt door de vertrouwensrelatie met haar opdrachtgeefster. Voorts is onbegrijpelijk dat betrokkenen de door klaagster aangeboden ingezonden brief niet hebben willen plaatsen. Onder de gegeven omstandigheden mocht dit van haar worden verwacht.

Betrokkenen hebben door hun handelen de grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING

De Raad acht de klacht gegrond.

De Raad verzoekt betrokkenen aan deze uitspraak aandacht te besteden in de Volkskrant.

Aldus vastgesteld door de Raad op 18 mei 1999, door prof. mr. W.D.H. Asser, voorzitter, mr. A.J. Heerma van Voss, mw. J.A. Koerts, W.F. de Pagter en drs. K.J. van der Zande, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. A.R. Creutzberg, secretaris.

Uitspraak 1999-28