1999/27 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

X

tegen

F. Elbersen, adjunct-hoofdredacteur van Dagblad De Limburger
en
P. Stiekema, adjunct-hoofdredacteur van Limburgs Dagblad

Bij brief van 8 december 1999 met 17 bijlagen heeft mr. G.J. Kemper, advocaat te Amsterdam, namens X te Y (klager), mede optredend namens zijn vader, zijn moeder en zijn zuster, een klacht ingediend tegen F. Elbersen, adjunct-hoofdredacteur van Dagblad De Limburger en tegen P. Stiekema, adjunct-hoofdredacteur van Limburgs Dagblad (betrokkenen).
Hierop heeft betrokkene Stiekema gereageerd in een brief van 29 december 1998 en G. Vogelaar, hoofdredacteur van Dagblad De Limburger, in een brief van 7 januari 1999.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 25 maart 1999 in aanwezigheid van klager en zijn advocaat. Betrokkenen hebben de Raad laten weten dat zij niet aanwezig zouden zijn.

DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten.

De broer van klager kwam op 19 oktober 1998 door een misdrijf om het leven. De overledene werd aangetroffen in zijn woonhuis in Echt. Zijn echtgenote, die aanvankelijk onvindbaar was, werd op 30 oktober 1998 als verdachte aangehouden en bevond zich ten tijde van het indienen van de klacht nog in voorlopige hechtenis. Zowel Dagblad De Limburger als Limburgs Dagblad publiceerden een aantal berichten over deze gebeurtenissen.
In de eerste berichtgeving over de zaak, op 21 oktober (Dagblad De Limburger) en 22 oktober (Limburgs Dagblad) 1998, werd in beide kranten de naam van de straat genoemd, waarin het slachtoffer was gevonden. Latere berichten bevatten ook naam, woonplaats en leeftijd van het slachtoffer. De advocaat van klager verzocht betrokkenen in een brief van 23 oktober 1998 om vermelding van personalia in vervolgberichten achterwege te laten. Beide betrokkenen antwoordden daarop dat het journalistiek gebruik is om namen van slachtoffers voluit te noemen.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager is van mening dat de vermelding van de naam van het slachtoffer, waarmee de persoonlijke levenssfeer van de nabestaanden is geschaad, in dit geval niet gerechtvaardigd werd door het belang van de eigen nieuwsvoorziening. Betrokkenen hebben geen juiste belangenafweging gemaakt tussen het belang van goede nieuwsvoorziening enerzijds en het leed dat publicatie van de naam bij de familie veroorzaakt. Het feit dat de familie aan betrokkenen kenbaar had gemaakt welke bezwaren er bestonden tegen het vermelden van de volledige naam, speelt daarbij een rol.

Dagblad De Limburger stelt dat gegevens over het slachtoffer, in een bericht over een zware criminele activiteit in een dorp als Echt, relevant zijn. Berichten als deze worden zo terughoudend mogelijk opgeschreven; er worden geen sensationele of suggestieve gegevens toegevoegd. Zo is ook in het onderhavige geval geschied, aldus betrokkene.

Limburgs Dagblad is van mening dat de naam van het slachtoffer al lang 'op straat lag' in Echt en omgeving, een kleine gemeenschap waar iedereen iedereen kent. Klager heeft de krant niet kunnen overtuigen van het feit dat de persoonlijke levenssfeer van de nabestaanden werd geschaad door de vermelding van de ter plaatse -en ook elders- veel voorkomende familienaam. Zwaarwegende persoonlijke omstandigheden zijn niet ter kennis gebracht van betrokkene.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Het gaat bij deze klacht om de vraag of de vermelding van persoonsgegevens van het slachtoffer van een ernstig geweldsmisdrijf maatschappelijk aanvaardbaar is. De Raad heeft zich al meerdere malen over deze vraag gebogen, onder meer in de zaak Burgdorffer contra AD, Volkskrant, Nieuwsblad van het Noorden, Veronica en EO, beslissing van 8 november 1988. Daarbij werd door de Raad voorop gesteld dat een nieuwsbericht zoveel mogelijk gegevens dient te bevatten, opdat de lezer zich een waarheidsgetrouw en controleerbaar beeld van het nieuwsfeit kan vormen. Bij geweldsmisdrijven tegen personen kan volledigheid op het punt van de identiteit bovendien voorkomen dat verwarring met anderen optreedt als gevolg waarvan bij derden nodeloze ongerustheid kan ontstaan. Tegenover dit alles staat de plicht van de journalist om zich af te vragen of er gevaar is voor benadeling of kwetsing van het slachtoffer of naaste familieleden, die door het bericht herkenbaar of identificeerbaar worden. Daarbij mag de journalist bij de afweging onderscheid maken tussen de gevolgen van de vermelding van identiteitsgegevens van het slachtoffer voor deze zelf enerzijds en voor zijn familieleden anderzijds.
De Raad stelt voorop dat klager -evenals diens familieleden- door de gewelddadige dood van zijn broer leed heeft ondergaan. In het onderhavige geval meent de Raad echter dat de vermelding van de naam, leeftijd en woonplaats van het slachtoffer niet als een zo zware leedtoevoeging dan wel een zo ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de familie moet worden aangemerkt, dat deze vermelding achterwege had moeten blijven.

BESLISSING

De Raad acht de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkenen deze beslissing integraal of in samenvatting in Dagblad De Limburger en Limburgs Dagblad te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 26 april 1999 door mr. W.D.H. Asser, voorzitter, mr. A.J. Heerma van Voss, mw. J.A. Koerts, W.F. de Pagter en drs. K.J. van der Zande, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. I.H.J. Konings, secretaris.

Uitspraak 1999-27