1999/26 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

B. van der Goen

tegen

P. Vermaas

Bij brief van 20 november 1998 met 2 bijlagen heeft de heer B. van der Goen te Soest (klager) een klacht ingediend tegen P. Vermaas (betrokkene). Vermaas heeft daar niet schriftelijk op gereageerd.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 19 maart 1999 in aanwezigheid van beide partijen.

DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten.

Het oktobernummer van het blad Discorsi, tijdschrift Politiek Sociaal-Culturele Wetenschappen van de Universiteit van Amsterdam, bevatte een artikel van de hand van betrokkene met de kop 'Doodseskaders?'. Daarin werd het door klager geschreven boek 'Doodseskaders in Nederland? Advocaat na Van Traa' besproken. De volgende passage is voor de onderhavige klacht van belang:
In de eerste druk van het boek De jacht op Octopus wordt door Parool-journalist Henk Schutten gewag gemaakt van een weinig vlekkeloos verleden van Van der Goen zelf. Schutten suggereert banden met de zware georganiseerde criminaliteit. In 1994 werd Van der Goen (Van der G. in Schuttens boek) gelijk met collega-advocaat Oscar Hammerstein opgepakt op verdenking van de handel in verdovende middelen en het wegsluizen naar een Zwitserse bankrekening van bijna twintig miljoen gulden. In Doodseskaders in Nederland? schrijft Van der Goen met geen woord over het gebeurde in 1994 en het, overigens falende, onderzoek van justitie tegen zijn persoon. De lezer die van zijn arrestatie uit die tijd heeft kennis genomen, begrijpt echter opeens een stuk meer: het boekje van Van der Goen is een impliciet antwoord op alle -in de ogen van Van der Goen ongetwijfeld valse- aanklachten uit die tijd.

Klager heeft bezwaar gemaakt tegen de inhoud van het artikel, hetgeen heeft geleid tot een rectificatie in het nummer van week 49, waarin tevens excuses werden aangeboden.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Volgens klager staan er in het artikel ernstige en bezwarende beschuldigingen. Betrokkene had die niet mogen publiceren zonder onderzoek te doen naar en melding te maken van de afloop van het justitieel onderzoek. Klager is immers nog steeds als advocaat werkzaam. Betrokkene wist althans had kunnen weten dat de eerste druk van het boek van Schutten onjuist was. De daarin over klager opgenomen beschuldigingen zijn in de latere druk verwijderd.

Betrokkene heeft in verband met een later gepubliceerd artikel in De Groene Amsterdammer contact opgenomen met de journalist Schutten, die hem vertelde dat de beschuldigingen aan het adres van klager in de latere druk(ken) van het boek De jacht op Octopus waren verwijderd. Wat er precies uit was gehaald heeft hij niet kunnen achterhalen. Betrokkene heeft vervolgens zelf het initiatief genomen tot een rectificatie in Discorsi, toen hem gebleken was dat er iets niet klopte.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De Raad acht het aannemelijk dat betrokkene ten tijde van de publicatie in Discorsi nog niet op de hoogte was van de aanpassing die in het door hem geraadpleegde boek van Schutten had plaatsgevonden. Toen hij daarvan kennis nam, heeft hij bewerkstelligd dat er een rectificatie met een ruiterlijk excuus in Discorsi werd opgenomen, die in overleg met klager was opgesteld.
Mede de wijze van rectificatie in aanmerking genomen, kan niet gezegd worden dat in dit geval de grenzen zijn overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING

De Raad acht de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in Discorsi te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 29 april 1999 door mr. J.B. Fleers, voorzitter, mr. G. Dullens, H. van Gessel, mw. mr. V. Keur en K. Wiese, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. I.H.J. Konings, secretaris.

Uitspraak 1999-26