1999/25 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

B. van der Goen

tegen

P. Vermaas en de hoofdredacteur van De Groene Amsterdammer

Bij brief van 9 november 1998 met 1 bijlage heeft B. van der Goen te Soest (klager) een klacht ingediend tegen journalist P. Vermaas en de hoofdredacteur van De Groene Amsterdammer (betrokkenen).
Hierop hebben P. Vermaas en A. Verbij, hoofdredacteur ad interim, gereageerd in brieven van 2 december 1998.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 19 maart 1999 in aanwezigheid van partijen.
Zoals ter zitting toegezegd heeft klager nadien nog een kopie van de hem destijds in verband met het hierna te noemen justitieel onderzoek uitgereikte kennisgeving van "niet verdere vervolging wegens onvoldoende aanwijzing van schuld" aan de Raad toegezonden.

DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten.

Klager is advocaat en treedt onder meer op voor slachtoffers van de Bijlmervliegramp. In het najaar 1998 verscheen zijn boek 'Doodseskaders in Nederland? Advocaat na Van Traa of de achterkant van het Hakkelaarproces'. Naar aanleiding van dit boek kondigde mevrouw T. Singh Varma, Tweede-Kamerlid en lid van de enquêtecommissie onderzoek Bijlmervliegramp aan, kamervragen te zullen stellen. Klager werd in verband met de verschijning van zijn boek geïnterviewd door redacteur R. Zwaap van De Groene Amsterdammer. Dit interview werd niet gepubliceerd.
Op 13 oktober 1998 vernam klager van mevrouw Singh Varma dat zij was gebeld door Vermaas. Deze zou haar hebben gevraagd of zij wel wist met wie zij in zee was gegaan en of zij klagers verleden wel kende. Vermaas verwees daarbij naar een justitieel onderzoek dat had plaatsgevonden, nadat klager in 1994 was gearresteerd. Bron voor deze informatie vormde de eerste druk van het in 1996 verschenen boek van Henk Schutten 'De jacht op Octopus: Hoe Nederlandse drugscriminelen greep krijgen op de bovenwereld'. Klager nam meteen nadat hij een en ander van mevrouw Singh Varma had vernomen telefonisch contact op met Vermaas en liet hem weten dat hij 'wegens niet gebleken zijn van schuld' voor de genoemde kwestie nooit was vervolgd. Klager had er geen bezwaar tegen als Vermaas uit het telefoongesprek zou citeren, mits hij de tekst vooraf voor commentaar ter inzage kreeg. Vermaas stuurde de concepttekst aan klager en bracht na met klager te hebben gesproken enkele wijzigingen aan. Klager trachtte daarna tevergeefs via redacteur Zwaap publicatie te verhinderen. Op 14 oktober 1998 verscheen het bericht in De Groene Amsterdammer onder de kop 'Tara en Bob', met citaten uit de telefoongesprekken die Vermaas met Singh Varma en met klager voerde. In dat bericht meldt betrokkene dat volgens de eerste druk van het boek van Schutten klager in verband wordt gebracht met grootscheepse drugshandel en het wegsluizen van 17,5 miljoen gulden naar een Zwitserse bankrekening en tevens dat deze beschuldigingen op last van klager in latere drukken zijn geschrapt. Hoewel betrokkene in het bericht ook meldt dat volgens Justitie Amsterdam klager dan wel is gearresteerd maar dat "wegens gebrek aan wettelijk bewijs" de zaak tegen klager is geseponeerd en dat volgens klager hem een kennisgeving van niet verdere vervolging is gegeven, vraagt betrokkene zich in het bericht af of "Singh Varma niet eerst had moeten uitzoeken met wie ze in zee ging".

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Volgens klager had Vermaas in zijn contact met Singh Varma niet ongeverifieerd beschuldigingen mogen uiten over hem. Vermaas kon weten dat Singh Varma een belangrijk contact voor hem was in verband met de belangenbehartiging van slachtoffers van de Bijlmervliegramp. Vermaas had het bericht niet mogen plaatsen, aangezien klager uitdrukkelijk bezwaar had gemaakt tegen de opgenomen citaten. Bovendien waren de opmerkingen door hem in een andere context gemaakt. Door te verwijzen naar de eerste druk van een boek waarvan hij wist dat die onjuistheden bevatte die later zijn gecorrigeerd, handelde Vermaas onrechtmatig, aldus klager. De aanduiding 'sepot wegens gebrek aan wettelijk bewijs' is niet juist en wekt de indruk dat er kennelijk wel van alles aan de hand was maar dat de zaak desondanks 'wettelijk' niet rond kwam. Het achterwege laten van de toevoeging 'wegens niet gebleken zijn van schuld' valt Vermaas te verwijten, aldus klager. De hoofdredactie had de publicatie alsnog moeten verhinderen.

Vermaas noemt als aanleiding voor het bericht de verschijning van het boek van klager en de gelijktijdige aankondiging van Singh Varma dat zij daarover kamervragen zou stellen. Hij vermoedde dat er sprake was van een commercieel opzetje van de uitgever en wilde van Singh Varma weten of zij zich werkelijk over de inhoud van het boek had verwonderd. Vermaas ging er vanuit dat Singh Varma wist van het verleden van klager. Dat bleek niet zo te zijn. Van het Openbaar Ministerie had hij vernomen dat het justitieel onderzoek tegen klager was geseponeerd wegens gebrek aan bewijs. Dat heeft hij aan Singh Varma meegedeeld. Vermaas ontkent tegenover haar ongeverifieerde beschuldigingen over klager te hebben geuit. Op verzoek van klager heeft hij aan de tekst toegevoegd dat de beschuldigingen in het boek van Schutten na de eerste druk zijn verwijderd. Er was voor hem geen enkele reden af te zien van publicatie, ook al gaf klager daarvoor geen toestemming omdat hij het oneens was met het bericht. Alle van klager afkomstige citaten zijn overigens met zijn instemming gebruikt, aldus Vermaas.
Volgens hoofdredacteur ad interim Verbij is het gepubliceerde bericht niet onzorgvuldig ten aanzien van klager.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Aanleiding voor het bericht in De Groene Amsterdammer was volgens Vermaas de aankondiging dat mevrouw Singh Varma kamervragen zou stellen over het door klager geschreven boek, nog voordat dit de winkels had bereikt. In het bericht ligt het accent echter niet daarop, maar op het "strafrechtelijke verleden" van klager. Door het aan mevrouw Singh Varma voorleggen van de vraag of zij "niet eerst had moeten uitzoeken met wie zij in zee ging" en door de verwijzing naar de in de eerste druk van het boek van Schutten geuite beschuldigingen, wordt zonder meer gesuggereerd dat het strafrechtelijk onderzoek tegen klager destijds weliswaar is gestrand, maar dat er tegen klager toch zodanige bezwaren zijn blijven bestaan dat een kamerlid hem maar beter uit de weg kan gaan. Die suggestie wordt niet weggenomen door de vermelding dat genoemde beschuldigingen in latere drukken van het boek van Schutten zijn geschrapt en evenmin door hetgeen Vermaas schrijft over de wijze waarop het strafrechtelijk onderzoek is beëindigd. Vermaas heeft nagelaten zich te vergewissen van de precieze betekenis van de aan klager uitgereikte kennisgeving van niet verdere vervolging "wegens onvoldoende aanwijzing van schuld". Hij heef niet het schrappen van de beschuldigingen in het boek van Schutten en de uitgereikte kennisgeving op de voorgrond gesteld, maar de verdenking van betrokkenheid van een advocaat bij drugshandel en witwasserij, hoewel die verdenking door die kennisgeving - waarmee kort gezegd tot uitdrukking wordt gebracht dat de officier tegen klager "geen zaak had" - was opgeheven. Door deze suggestieve wijze van berichtgeving heeft Vermaas, zoals ook de hoofdredactie van De Groene Amsterdammer duidelijk had moeten zijn, de grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING

De Raad acht de klacht gegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in De Groene Amsterdammer te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 29 april 1999 door mr. J.B. Fleers, voorzitter, mr. G. Dullens, H. van Gessel, mw. mr. V. Keur en K. Wiese, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. I.H.J. Konings, secretaris.

Uitspraak 1999-25