1999/24 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

College van Procureurs Generaal

tegen

J. Dijkgraaf en de redactie van Panorama

Bij brief van 26 november 1998 met 1 bijlage heeft mr. F.W. Bleichrodt, advocaat te Den Haag, namens het College van Procureurs Generaal (klager) een klacht ingediend tegen J. Dijkgraaf en de redactie van Panorama (betrokkenen).
Hierop heeft mr. K.Th. M. Stöpetie, advocaat te Amsterdam, gereageerd in een brief van 11 januari 1999.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 19 maart 1999. Namens klager verschenen mr. Bleichrodt en mr. F.K.G. Westerbeke en namens betrokkenen mr. Stöpetie en mr. D.R. Doorenbos.

De voorzitter prof. mr. W.D.H. Asser, advocaat bij advocatenkantoor Stibbe Simont Monahan Duhot, en vice-voorzitter mr. J.B. Fleers, Raadsheer in de Hoge Raad der Nederlanden, hebben laten weten uit hoofde van de hiervoor genoemde functies de klacht niet te kunnen behandelen. Partijen hebben desgevraagd laten weten geen overwegende bezwaren te hebben tegen behandeling van de zaak door mevrouw mr. V. Keur als voorzitter en drie leden.

DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten.

Het blad Panorama besloot in 1996 tot de uitgave van een themanummer met als thema 'sensationele artikelen'. Met het oog daarop kwam de redactie in overleg met de hoofdredacteur op het idee om een auto met Ajax-versierselen in de buurt van het Feyenoord-stadion te parkeren, in de verwachting dat de auto niet onopgemerkt zou blijven voor de Feyenoord-aanhang. De sportredactie schafte daartoe eind 1996 een auto aan die werd voorzien van Ajax-attributen. De auto moest tijdens de wedstrijd Feyenoord-Ajax bij het Feyenoord-stadion worden geparkeerd. De chef van de sportredactie, Dijkgraaf, kende een lid van de harde kern van de Feyenoord-aanhang, J. van Z., die bij hem thuis glazenwasser was. Hij bracht de twee voor de reportage ingeschakelde freelance-medewerkers met J. van Z. in contact, met de bedoeling dat zij hem om een voor de reportage geschikte parkeerplaats zouden vragen. De medewerkers informeerden J. van Z. tijdens een bespreking over hun bedoelingen en verwachtingen en vervolgens werd de auto op de door J. van Z. aangewezen plek vlak naast het Feyenoord-stadion neergezet.
Op de dag van de wedstrijd, zondag 24 november 1996, werd de auto totaal vernield door een aantal Feyenoord-supporters, onder wie J. van Z.. Panorama publiceerde in het themanummer 'Sensationele artikelen', nummer 49 van dat jaar, een fotoreportage van de vernielingen. De daders werden aangehouden en het gerechtelijk vooronderzoek tegen hen werd begin 1998 afgerond. Enkelen van hen verklaarden te zijn aangezet tot de strafbare gedragingen door J. van Z., die op zijn beurt verklaarde te hebben gehandeld in opdracht van Panorama, door tussenkomst van de freelance medewerkers. Met de freelance medewerkers en Dijkgraaf sloot het OM in februari/maart 1998 een transactie ter voorkoming van verdere strafvervolging.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager geeft als reden voor het tijdsverloop tussen de gebeurtenissen in november 1996 en het indienen van de klacht, dat het Openbaar Ministerie de resultaten van het strafvorderlijk onderzoek wilde afwachten. Bij een oordeel van de Raad bestaat nog steeds belang, vanwege de ernst van de feiten en met het oog op toekomstige gevallen. Overigens had klager ten aanzien van betrokkenen uitdrukkelijk het voorbehoud gemaakt dat een klacht bij de Raad zou worden ingediend.
Het college van PG's staat sinds 1 januari 1995 aan het hoofd van het Openbaar Ministerie en vertegenwoordigt in deze zaak het Openbaar Ministerie, dat krachtens de Wet Rechterlijke Organisatie belast is met (onder meer) de handhaving der wetten en de vervolging van strafbare feiten. In het kader van zijn taakuitoefening heeft het OM een direct belang bij het voorkomen van misdrijven, zo stelt klager.
Volgens klager hebben betrokkenen door het geven van de opdracht tot de reportage bewust een gevaarzettende situatie gecreëerd. Het was de bedoeling dat de auto zou worden vernield en met het oog daarop is hij provocerend ingericht en opgesteld. Aan een supporter die tot de 'harde kern' behoort is te kennen gegeven dat geen aangifte zou worden gedaan in het geval er iets met de auto zou gebeuren, waarmee de suggestie is gewekt dat de auto straffeloos mocht worden vernield. De kans dat J. van Z. met deze boodschap andere leden van de harde kern zou benaderen was daardoor groot. De daarmee uitgelokte ongeregeldheden hebben geleid tot een misdrijf en tot gevaar voor auto's en personen die zich in de nabijheid van de 'Ajax-auto' bevonden. Dijkgraaf heeft daarbij een bepalende rol vervuld: hij heeft het idee uitgewerkt en de medewerkers in contact gebracht met een lid van de harde kern van Feyenoord-'hooligans' teneinde de auto zodanig te parkeren dat de kans op vernieling zo groot mogelijk was. Van eventuele juridische gevolgen werden de verslaggevers gevrijwaard. Door publicatie van de reportage op een sensationele manier zijn bovendien nieuwe risico's van vergeldingsacties door de supportersgroepen ontstaan.

Betrokkenen stellen zich primair op het standpunt dat klager in zijn klacht niet-ontvankelijk is.
Zij voeren daarvoor verschillende argumenten aan. Ten eerste is volgens betrokkenen onduidelijk tegen wie de klacht zich precies richt. Het is immers niet zo dat de hele redactie bij de gewraakte gedraging betrokken is geweest. Ten tweede stellen zij dat voor de bevoegdheid tot het indienen van een klacht bij de Raad de benodigde wettelijke basis ontbreekt. Vervolgens stellen betrokkenen dat klager zijn taak, handhaving van de wet, reeds volledig heeft uitgeoefend door middel van de hem daarvoor toegekende bevoegdheden. De klacht is bovendien niet door het Openbaar Ministerie ingediend maar door het College van PG's, dat volgens betrokkenen niet als rechtstreeks belanghebbende kan worden aangemerkt. Als vierde argument noemen betrokkenen dat er geen enkele rechtvaardiging bestaat voor het eerst na 24 maanden indienen van de klacht. Hetgeen de journalisten zou kunnen worden verweten bleek reeds genoegzaam uit het gepubliceerde artikel. Het oordeel van de strafrechter is uiteindelijk niet eens gevraagd. Ten slotte beroepen betrokkenen zich op het beginsel van 'equality of arms', nu klager voor het opbouwen van een dossier ter onderbouwing van de klacht gebruik kon maken van bevoegdheden waarmee betrokkenen niet waren toegerust, en op het beginsel 'ne bis vexari' en het daarvan afgeleide beginsel 'ne bis in idem'.
Ten aanzien van de inhoud van de klacht merken betrokkenen op dat zij de juistheid en volledigheid van hetgeen door klager is aangevoerd betwisten. De door klager overgelegde informatie uit het strafdossier is volgens hen onvolledig, gekleurd en op onderdelen achterhaald en onjuist. De overgelegde stukken betreffen een momentopname van een onderzoek dat nog vele maanden lang heeft doorgelopen. De stukken zijn overigens opgemaakt in opdracht en onder regie van het OM ten behoeve van strafrechtelijk onderzoek en niet ten behoeve van tuchtrechtelijk onderzoek naar journalistieke gedragingen.
Betrokkenen hebben het risico van vernielingen bewust aanvaard en daar wellicht ook zelfs wel op gehoopt, ter wille van het welslagen van het idee voor een sensationele reportage. Dat is echter nog geen uitlokking. Dit zou wellicht anders zijn geweest indien Dijkgraaf geld zou hebben beloofd aan J. van Z. indien hij de auto zou helpen vernielen of indien namens Panorama aan Feyenoord-'hooligans' geld zou zijn beloofd in ruil voor vernielingen. Dat is echter volgens betrokkenen niet het geval. Zij kunnen niet worden aangesproken voor het eigenmachtig optreden van J. van Z.. Bij de door de Panorama-medewerkers met het OM aangegane transacties is geen schuld erkend.

ONTVANKELIJKHEID

De klacht wordt beschouwd als te zijn gericht tegen de heer Dijkgraaf en tegen de hoofdredactie, die beide verantwoordelijk zijn voor de gedragingen waarover wordt geklaagd, te weten de wijze waarop de reportage tot stand is gekomen en de publicatie daarvan in Panorama.
De Raad gaat ervanuit dat artikel 4 Wet RO het OM voldoende wettelijke grondslag biedt voor het behartigen van het belang van handhaving van de rechtsorde in het kader van een procedure als de onderhavige. De Raad treedt niet in de interne bevoegdheden van het Openbaar Ministerie en het College van Procureurs Generaal. Nu de klacht door een advocaat is ingediend, op verzoek van het College namens het OM, neemt de Raad aan dat het College vertegenwoordigende bevoegdheid heeft.
Anders dan betrokkenen stellen heeft klager, vanuit zijn verantwoordelijkheid voor de handhaving van de rechtsorde, waarvan de preventieve taak een onderdeel uitmaakt, een direct belang bij een oordeel van de Raad over de gewraakte gedragingen.
Aan betrokkenen moet worden toegegeven dat klager lang heeft gewacht met het indienen van de klacht. Hiervoor heeft klager als argument gegeven dat hij eerst de strafrechtelijke procedure wilde afronden. Het is niet zo dat vanwege het tijdsverloop sinds de gewraakte gedragingen geen oordeel van de Raad meer gevraagd kan worden, nu klager immers aannemelijk heeft gemaakt dat hij nog steeds belang heeft bij dit oordeel.
De Raad baseert zijn oordeel over de journalistieke gedragingen op vaststaande feiten. Op welke wijze deze feiten zijn komen vast te staan doet niet ter zake. Het strafrechtelijk dossier kan daaraan bijdragen, evenals verklaringen, documentatie en andere stukken. Betrokkenen kunnen evenzeer als klager hun standpunt onderbouwen met feitelijke gegevens. Beide partijen hebben delen van het strafdossier als producties overgelegd. Een beroep op strijdigheid met het beginsel 'equality of arms' kan daarom niet slagen.
Ten slotte wordt door betrokkenen een beroep gedaan op het 'ne bis in idem' beginsel. Ook dit wijst de Raad af. Bij de onderhavige beoordeling zijn immers geheel andere vragen aan de orde dan bij de strafrechtelijke beoordeling. Het gaat in dit geval om al dan niet onverantwoordelijk handelen van journalisten in de uitoefening van hun beroep, niet om de strafbaarheid van de door hen gepleegde gedragingen. Ten overvloede vermeldt de Raad hier dat de gedragingen van de hoofdredacteur in de strafprocedure geen voorwerp van onderzoek zijn geweest. Ten aanzien van Dijkgraaf heeft de Officier van Justitie bij het aangaan van de transactie zich uitdrukkelijk het recht voorbehouden een klacht in te dienen bij de Raad.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Nu de klacht en klager ontvankelijk zijn komt de Raad toe aan een oordeel over de gewraakte gedragingen.

Het gaat in dit geval om een vorm van journalistiek waarbij journalisten niet alleen registreren wat er gebeurt, maar ook de voorwaarden scheppen waardoor het ontstaan en het verloop van die gebeurtenissen mede worden bepaald. Daardoor worden zij zelf (mede)maker van het nieuws.
Het maken van een reportage over de lotgevallen van een in de buurt van het Feyenoord-stadion geparkeerde auto met een "Ajax-uiterlijk" op de dag van een treffen tussen Ajax en Feyenoord is, ook als de auto door de redactie/journalist zelf daar bewust met dat doel is geplaatst, maatschappelijk niet onaanvaardbaar.
Datzelfde geldt voor het in dit verband benaderen van een lid van de harde Feyenoord-aanhang, mits deze als algemene vraagbaak dient en niet betrokken wordt bij de reportage. Uit een telefoontje dat Dijkgraaf enkele dagen voor de bewuste vernielingen met J. van Z. pleegde bleek hem echter, zo verklaarde Dijkgraaf zelf ten overstaan van de Rechter-commissaris, dat Van Z. op de hoogte was van de bedoeling en de strekking van de beoogde reportage. De Raad is van oordeel dat Dijkgraaf op dat moment die reportage had moeten annuleren nu immers voorzienbaar en voorspelbaar was dat J. van Z. alleen en/of met anderen een actieve rol zou gaan spelen bij de aan de auto te plegen vernielingen en Panorama in het geval van niet-annuleren de schade opleverende nieuwsfeiten zelf zou veroorzaken.

De hoofdredactie wist van de plannen voor het "sensatienummer" en is op de hoogte geweest van de betrokkenheid van Panorama-medewerkers bij de schadeveroorzakende gebeurtenissen of had dat moeten zijn. Immers, op de zondag en de maandag na de voetbalwedstrijd kwam die mogelijke betrokkenheid aan het licht ten gevolge van politioneel onderzoek. De hoofdredacteur had op dat moment moeten besluiten af te zien van publicatie van de reportage, omdat hij wist of had moeten weten dat door de wijze waarop de reportage tot stand was gekomen, die niet meer het beoogde en gepretendeerde journalistieke beeld van de werkelijkheid gaf. Dat publicatie van een journalistiek beeld van de werkelijkheid mogelijk nieuwe risico's van vergeldingsacties met zich meebrengt is in het algemeen geen gevolg waarvoor betrokkenen verantwoordelijk zijn. Dat is wel het geval bij publicatie van een reportage, die op deze wijze tot stand is gekomen, een wijze waarvoor betrokkenen eveneens verantwoordelijkheid dragen.

BESLISSING

De Raad acht de klacht gegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in Panorama te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 29 april 1999 door mw. mr. V. Keur, voorzitter, mr. G. Dullens, H. van Gessel en K. Wiese, in tegenwoordigheid van mw. mr. I.H.J. Konings, secretaris.

Uitspraak 1999-24