1999/21 deels gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

J.R.W. Flink

tegen

de hoofdredactie van De Gooi- en Eemlander

Bij brief van 12 november 1998 met 7 bijlagen heeft mr V.L.M.J. Boitelle, advocaat te Hilversum namens J.R.W. Flink (klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van De Gooi- en Eemlander (betrokkene).
Hierop heeft J.H. van Zenderen, hoofdredacteur, gereageerd in een brief van 30 november 1998.
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 19 maart 1999 in aanwezigheid van partijen. Klager werd bijgestaan door zijn advocaat.

DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten.

Klager was tot 18 augustus 1998 wethouder in Hilversum. Op de voorpagina van De Gooi- en Eemlander verscheen op 5 oktober 1998 een bericht over klager met de kop 'Flink richt BV op vlak voor vertrek uit college'. In het bericht wordt melding gemaakt van de oprichting van een organisatie-adviesbureau voor management van projectontwikkeling door klager, twee weken voor hij uit het Hilversumse college stapte.
De verslaggeefster baseerde haar berichtgeving grotendeels op een persbericht van dezelfde datum, afkomstig van de lokale partij Leefbaar Hilversum. Volgens Leefbaar Hilversum verzweeg klager deze BV voor de gemeente en maakte hij zich daarmee schuldig aan mogelijke belangenverstrengeling. De partij vond hiermee bewezen dat het Hilversumse college op oneigenlijke gronden was opgeblazen en voelde zich misleid, aldus het bericht. Het artikel besloot met de mededeling dat op de persverklaring van Leefbaar Hilversum een embargo rustte, waardoor de redactie het niet mogelijk achtte voor het drukken van de krant een reactie van klager te verkrijgen. Op 6 oktober 1998 verschenen een bericht met de reactie van klager en een hoofdredactioneel commentaar over de kwestie op de voorpagina van de krant. Op 7 oktober publiceerde de krant twee ingezonden brieven over de kwestie, waaronder een van de fractievoorzitter van Leefbaar Hilversum, die zijn beschuldigingen onverkort handhaafde. In een hoofdredactioneel commentaar op 8 oktober 1998 werd in de krant uitleg gegeven over de gang van zaken rond het embargo.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager beticht betrokkene ervan beweringen, waarvan de onjuistheid eenvoudig was aan te tonen, in het artikel te hebben opgenomen. De datum van oprichting van de genoemde BV kon door inzage in het Handelsregister gecontroleerd worden. De aanvang van de bedrijfsactiviteiten was om fiscale redenen geantedateerd en, zoals in het Handelsregister vermeld, gesteld op 1 augustus 1998. Inschrijving vond echter pas op 22 september 1998 plaats. Overigens is de desbetreffende BV nog steeds 'in oprichting', aangezien het wachten nog is op de verklaring van geen bezwaar. Dat klager zich aan belangenverstrengeling schuldig heeft gemaakt staat absoluut niet vast. Betrokkene heeft dat ook toegegeven in het eerste hoofdredactioneel commentaar. Aangezien de integriteit van klager in het geding was, behoorde deze in de gelegenheid te worden gesteld om op de beschuldigingen te reageren in dezelfde editie van de krant. Er bestond voor de krant geen enkele verplichting het embargo van Leefbaar Hilversum te accepteren. Door dit wel te doen heeft de krant doelbewust het risico genomen van eenzijdige, onvolledige en onjuiste berichtgeving.

Volgens betrokkene waren de over klager geuite beschuldigingen afkomstig en voor rekening van Leefbaar Hilversum. Ze waren echter zeer relevant. De aard van het bedrijf van klager leverde het risico van ontoelaatbare belangenverstrengeling op. Een uittreksel uit het Handelsregister gaf als vestigingsdatum 1 augustus 1998, met klager als bevoegd functionaris. Deze datum, maar niet de aard van het bedrijf, kwam ook naar voren uit een onderzoek door Dun & Bradstreet Nederland, dat al in een eerder stadium op verzoek van betrokkene was uitgevoerd naar aanleiding van negatieve berichten over klager.
Betrokkene had op zondagavond 4 oktober 1998 met Leefbaar Hilversum een embargo-afspraak gemaakt, die het onmogelijk maakte klager vóór publicatie om commentaar te vragen. Op dat moment kende betrokkene de inhoud van het persbericht niet. De daarin opgenomen informatie was afkomstig van een gezaghebbende bron, namelijk de grootste politieke partij van Hilversum, reden waarom die informatie op zichzelf al het vermelden waard was. Ook op grond van gepleegd bronnenonderzoek was publicatie gerechtvaardigd, aldus betrokkene. Klager is bovendien de volgende dag op prominente wijze aan het woord gelaten in de krant.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De klacht is gericht tegen de publicatie van onjuistheden en tegen het achterwege laten van hoor en wederhoor.

Met betrekking tot de publicatie van onjuistheden overweegt de Raad het volgende.
De gewraakte publicatie bevat een aantal feitelijke beweringen en daarop gebaseerde beschuldigingen die volgens klager aantoonbaar onjuist zijn. Wat de feitelijkheden betreft kan betrokkene geen verwijt worden gemaakt, nu klager zelf in het Handelsregister heeft doen inschrijven dat de activiteiten van zijn bedrijf op 1 augustus 1998 waren aangevangen. Betrokkene mocht uit dat gegeven op zichzelf afleiden dat het door klager geleide organisatie-adviesbureau voor management van projectontwikkeling sedert 1 augustus 1998 werkzaam was. Dat de inschrijving eerst op 22 september 1998 plaatsvond kan daaraan niet afdoen.

Ter beoordeling ligt voorts, in verband met de in de publicatie geuite beschuldiging van belangenverstrengeling en misleiding, de vraag of de embargo-afspraak het beginsel van hoor en wederhoor opzij kon zetten. Dat is niet het geval. Een embargo is geen vrijbrief om beschuldigingen als waarvan hier sprake is zonder meer in de publiciteit te brengen. Betrokkene kan zich overigens jegens klager ook niet beroepen op een met Leefbaar Hilversum gemaakte embargo-afspraak. Daar staat klager immers buiten. Toen bekend was welke beschuldigingen het persbericht bevatte, had betrokkene opnieuw moeten onderhandelen over het embargo, met als doel dat er tijdig wederhoor kon plaatsvinden met klager. Hij heeft dat nagelaten, kennelijk -maar ten onrechte- omdat hij het belang om het nieuws als eerste te brengen heeft laten prevaleren boven het belang van klager dat beschermd wordt door de regel van hoor en wederhoor.

BESLISSING

De Raad acht de klacht gegrond, voor zover die betrekking heeft op de schending van het beginsel van hoor en wederhoor en voor het overige ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in de Gooi- en Eemlander te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 26 april 1999 door mr. J.B. Fleers, voorzitter, mr. G. Dullens, H. van Gessel, mw. mr. V. Keur en K. Wiese, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. I.H.J. Konings, secretaris.

Uitspraak 1999-21