1999/20 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

A. van Nierop

tegen

K. Gottlieb (Radio Rijnmond)
en
De Telegraaf

Bij brief van 28 oktober 1998 met 6 bijlagen heeft A. van Nierop te Den Haag (klaagster) een klacht ingediend tegen K. Gottlieb (Radio Rijnmond) en De Telegraaf (betrokkenen). Bij brief van 13 november 1998 heeft klaagster nog 6 bijlagen overgelegd.
Mevrouw Gottlieb heeft hierop gereageerd per fax van 19 februari 1999. De heer J.J.L. Verwey, adjunct-hoofdredacteur van De Telegraaf, heeft bij brief van 26 november 1998 laten weten niet op de klacht te zullen reageren.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 19 maart 1999 zonder dat partijen daarbij aanwezig waren.

DE FEITEN

Op grond van de stukken gaat de Raad uit van de volgende feiten.

De 28-jarige dochter van klaagster werd in september 1998 dood aangetroffen op een motelkamer in Ciudad Juarez te Mexico. Zij bleek te zijn vermoord. Over deze moord verschenen tal van berichten in de pers.
Radio Rijnmond liet in de uitzending van 8 oktober 1998 correspondente Katrien Gottlieb aan het woord. Zij vertelde dat 'een 20-jarige Rotterdamse studente' slachtoffer van een lustmoord was geworden. Ze bracht de moord in verband met een groot aantal andere moorden in dezelfde regio. Het zou mogelijk gaan om een 'bende', aangezien er verband bestond met twee andere moordzaken, waarbij het stoffelijk overschot op dezelfde wijze was aangetroffen. Ook wist de correspondente te melden dat er een verdachte was aangehouden.
De Telegraaf meldde eveneens dat het zou gaan om een 20-jarige Rotterdamse studente die slachtoffer was geworden van een zedendelict dat mogelijk verband hield met andere seksuele misdrijven.
In andere kranten verschenen gelijksoortige berichten.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Volgens klaagster bevatte de berichtgeving door betrokkenen tal van onjuistheden, zoals de leeftijd en voormalige woonplaats van het slachtoffer en de datum waarop ze was gevonden. Zij was geen studente, maar maakte een reis door de Verenigde Staten en Mexico, om de architectuur te bestuderen. Betrokkenen berichtten dat er sprake was van 'verkrachting' of 'seksuele gemeenschap', terwijl dat niet bleek uit de autopsierapporten waarover de familie ten tijde van de publicaties beschikte. De arrestatie van een vermoedelijke dader kon door het ministerie van Buitenlandse Zaken nog niet worden bevestigd en het mogelijk bestaande verband met andere misdrijven evenmin. Klaagster vindt de berichtgeving dan ook tendentieus.
Gottlieb zou bovendien geen wederhoor hebben toegepast, noch bij de familie, noch bij de Nederlandse Ambassade ter plaatse of het ministerie van Buitenlandse Zaken.

Gottlieb geeft als bron de plaatselijke politie in Ciudad Juarez en de correspondent van de toonaangevende krant La Jornade te Mexico, die twee artikelen schreef over de moord. Zij betreurt het dat leeftijd en beroep van het slachtoffer onjuist zijn doorgekomen. Het in verband brengen van de moord met andere moorden in Ciudad Juarez ligt volgens Gottlieb voor de hand, aangezien er al meer dan 130 vrouwen om het leven zijn gebracht in die stad, waarbij twee eerdere moorden veel gelijkenis vertoonden met de moord op de dochter van klaagster. Zij heeft geen contact gezocht met de familie omdat ze die in tijden van rouw niet wilde lastigvallen. Haar medeleven gaat uit naar de nabestaanden en zij heeft begrip voor hun irritaties. Desalniettemin is zij van mening dat haar berichtgeving niet onnodig grievend was.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Dat de berichtgeving onjuistheden aangaande de persoon van het slachtoffer bevatte, valt te betreuren, zeker nu het hier een voor de nabestaanden zeer aangrijpende gebeurtenis betreft. De onjuistheden inzake onder meer leeftijd, woonplaats en beroep zijn echter niet van dien aard dat daarmee de grenzen van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid maatschappelijk aanvaardbaar is, zijn overschreden. Dat Gottlieb over verkrachting en seksuele gemeenschap sprak en dat zij de moord vanwege geconstateerde gelijkenissen in verband bracht met andere in Ciudad Juarez gepleegde moorden is begrijpelijk en niet onzorgvuldig. Zij heeft zich daarbij immers gebaseerd op twee, naar in deze klachtzaak mag worden aangenomen, betrouwbare Mexicaanse bronnen. Tot het, in een geval als dit uit overwegingen van privacy ook minder voor de hand liggende, plegen van hoor en wederhoor was zij niet gehouden.

BESLISSING

De Raad acht de klacht tegen beide betrokkenen ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkenen deze beslissing integraal of in samenvatting in De Telegraaf te publiceren c.q. daaraan aandacht te besteden in een uitzending van Radio Rijnmond.

Aldus vastgesteld door de Raad op 26 april 1999 door mr. J.B. Fleers, voorzitter, mr. G. Dullens, H. van Gessel, mw. mr. V. Keur en K. Wiese, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. I.H.J. Konings, secretaris.

Uitspraak 1999-20