1999/2 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

S.K.A. Brown

tegen

P.R. de Vries

Bij brief van 19 oktober 1998 met bijlagen, gevolgd door een brief van 9 november 1998 met bijlage heeft S.K.A. Brown te Eindhoven (klager) een klacht ingediend tegen P.R. de Vries (betrokkene).
Betrokkene heeft hierop gereageerd in een brief van 30 november 1998, waarbij een video-opname is overgelegd.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 10 december 1998 buiten aanwezigheid van partijen.

DE FEITEN

Op grond van de stukken gaat de Raad uit van de volgende feiten.

De Raad heeft zich op 26 februari 1998 uitgesproken over een klacht van klager tegen betrokkene. Deze klacht betrof de inzet van verborgen camera's en de uitzending van de daarmee verkregen opnamen door betrokkene. De Raad achtte de klacht gegrond. Betrokkene vertoonde de gewraakte beelden vervolgens nog tweemaal, waarover klager opnieuw een klacht indiende. Ook deze klacht werd door de Raad in zijn uitspraak van 22 september 1998 gegrond bevonden. In zijn uitzending van 15 oktober 1998 besteedde betrokkene, conform het verzoek van de Raad, aandacht aan die laatste uitspraak. De gewraakte beelden werden niet herhaald. De volgende tekst werd uitgesproken:
'...Vorig jaar hebben wij een aantal geruchtmakende uitzendingen met de verborgen camera gemaakt, waarin Brown de hoofdrol speelde. U weet dat ongetwijfeld nog. Brown heeft zich daarover beklaagd bij de Raad voor de Journalistiek die oordeelde dat wij geen gebruik hadden mogen maken van de verborgen camera, ook al bleek daar zonneklaar uit dat Brown iemand omkocht om mij met verzonnen informatie te belasteren en dat hij mij en ook anderen met verminking en/of de dood dreigde.
Aan die uitspraak hebben wij destijds aandacht besteed en toen opnieuw enkele korte fragmenten getoond en later tijdens een jaaroverzicht hebben we nog eens 2 minuten van die beelden laten zien. Brown heeft zich daarop opnieuw tot de Raad gewend. Deze heeft gezegd dat er geen dringende noodzaak was die fragmenten, hoe kort ook, opnieuw uit te zenden en heeft de klacht dus gegrond verklaard. De Raad heeft ons verzocht om van deze uitspraak melding te maken en daar is bij deze aan voldaan.'

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat betrokkene in strijd met de waarheid in de uitzending heeft gezegd dat klager iemand heeft omgekocht en dat hij betrokkene met de dood heeft bedreigd. Hij ontkent zich daaraan schuldig te hebben gemaakt en beschouwt de uitlatingen als lasterlijk.

Volgens betrokkene wordt zijn bewering dat klager iemand heeft omgekocht, gestaafd door de eerder in zijn programma uitgezonden geluids- en video-opnamen, waaruit blijkt dat klager aan iemand geld heeft aangeboden om valse verklaringen over betrokkene af te leggen. De bewering dat klager hem en anderen met verminking en/of de dood dreigde is eveneens gestoeld op eerder uitgezonden fragmenten, waarin de bedreigingen uit de mond van klager te horen zijn.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De Raad is, het overgelegde beeld- en geluidsmateriaal in aanmerking genomen, van oordeel dat betrokkene voldoende gronden had voor zijn beweringen omtrent omkoping en bedreiging door klager, zodat niet kan worden gezegd dat in de uitzending van 15 oktober 1998 de grenzen zijn overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING

De Raad acht de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene aan deze beslissing aandacht te besteden in een uitzending van zijn programma.

Aldus vastgesteld door de Raad op 8 januari 1999 door mr. J.B. Fleers, voorzitter, W.H.K. Ammerlaan, mr. G. Dullens, prof. mr. E.C.M. Jurgens en mw. J.A. Koerts, leden, in tegenwoordigheid van mr. I.H.J. Konings, secretaris.

Uitspraak 1999-02