1999/19 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

Bossche Omroep op Zondag

tegen

hoofdredactie Brabants Dagblad

Bij brief van 26 november 1998 heeft mr. M. de Folter namens de Bossche Omroep op Zondag te 's-Hertogenbosch (klager) een klacht ingediend tegen het Brabants Dagblad (betrokkenen).
Hierop heeft de heer T. van der Meulen, hoofdredacteur, gereageerd in een brief van 4 december 1998.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 4 februari 1999 zonder dat partijen daarbij aanwezig waren.

DE FEITEN

Op grond van de stukken gaat de Raad uit van de volgende feiten.

De Bossche Omroep op Zondag maakte eind november 1997 met de bank F. van Lanschot de afspraak dat medewerkers van de bank twee keer per maand een beursbericht zouden schrijven dat in het huis-aan-huisblad de Bossche Omroep op Zondag zou worden gepubliceerd. Het betrof een verkorte overname van artikelen uit het huisblad van de bank. Dezelfde bank verzorgt ook voor het Brabants Dagblad periodiek een rubriek over beleggen en aanverwante geldzaken. Medio juli 1998 verbrak de bank de samenwerking met de Bossche Omroep op Zondag, nadat het Brabants Dagblad aan de bank had laten weten de samenwerking te zullen beƫindigen als de bank haar bijdrage aan de Bossche Omroep op Zondag zou continueren.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Volgens klager gedraagt betrokkene zich op een evident niet faire wijze in de uitoefening van het journalistieke beroep, Betrokkene heeft de bank onder druk gezet om publicaties bij een ander medium tegen te houden. Hiermee pleegt betrokkene volgens klager inbreuk op het beginsel van vrije verkrijging van informatie en daarmee op de vrijheid van drukpers en de vrijheid van meningsuiting. Talrijke lezers binnen de Bossche regio blijven aldus verstoken van belangwekkende economische informatie. Aan klager wordt indirect een publicatieverbod opgelegd. Er is bovendien sprake van oneerlijke concurrentie en misbruik van economische machtspositie, waardoor klager bewust wordt benadeeld.

Betrokkene laat weten er als dagblad met betalende abonnees niet voor te voelen om een bron te delen met een gratis weekblad. De bank heeft een eigen keuze gemaakt met haar beslissing om de samenwerking met klager te beƫindigen.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De klacht is gericht tegen de gedraging van het Brabants Dagblad, die zich laat kwalificeren als het bedingen van exclusieve medewerking van de bank aan een redactionele rubriek. Deze gedraging heeft betrekking op de redactievoering van de krant en daarom beschouwt de Raad haar als een journalistieke gedraging. Klager heeft een direct belang bij een oordeel over deze gedraging. Het bedingen van een dergelijke exclusiviteit behoort echter tot de normale journalistieke praktijk en tast in geen enkel opzicht de vrijheid van nieuwsgaring aan. Niet gebleken is dat daarmee in dit geval grenzen zijn overschreden.

BESLISSING

De Raad acht de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in het Brabants Dagblad te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 11 maart 1999 door mr. W.D.H. Asser, voorzitter, mr. G. Dullens, mr. A.J. Heerma van Voss, mw. A.G. Scherphuis en drs. K.J. van der Zande, leden, in tegenwoordigheid van Mw. mr. I.H.J. Konings, secretaris.

Uitspraak 1999-19