1999/18 onbevoegd ongegrond

 

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

 

A.B.M.M. Beekman

 

 

tegen

 

 

J. Boonstra (Zwolsche Courant)

 

 

 

 

Bij brief met vier bijlagen van 23 november 1998 heeft mr. C.N.G.M. Starmans, advocaat te Utrecht, namens de heer A.B.M.M. Beekman te Bathmen (klager) een klacht ingediend tegen journalist J. Boonstra en de hoofdredactie van de Zwolsche Courant (betrokkenen).
Hierop heeft J. Bartelds, hoofdredacteur, gereageerd in een brief van 21 december 1998.

 

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 4 februari 1999, in aanwezigheid van klager en zijn advocaat. Betrokkenen hadden laten weten niet te zullen verschijnen.

 

 

 

 

DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten.

 

Klager is belegger van beroep. Hij plaatste op de voorpagina van de Zwolsche Courant van 28 augustus 1998 een advertentie, waarin hij enkele ten zuidoosten van Zwolle gelegen percelen bosgrond te koop aanbood, tegen een prijs van zeven gulden en vijftig cent per vierkante meter, kosten koper. De verkoop vond plaats in het kader van een boedelscheiding. Volgens de advertentie werd verwacht dat de grond te zijner tijd bebouwd kon worden of in ieder geval een recreatieve bestemming kon krijgen. Gegadigden konden onder briefnummer van het blad reageren.

 

 

Op 2 september 1998 verscheen op de voorpagina van de Zwolsche Courant een bericht met de kop Federatie: koop geen bosgrond in Raalte. Klager werd daarin, onder verwijzing naar de advertentie op 28 augustus 1998, met naam en woonplaats genoemd. De berichtgeving werd vervolgd op pagina 6 van de krant. Volgens de Federatie Particulier Grondbezit bood klager de bosgrond tegen een te hoge prijs te koop aan. Die prijs was gebaseerd op de verwachting dat op de percelen te zijner tijd zou mogen worden gebouwd. Omdat volgens het bericht zes van de aangeboden percelen in de gemeente Raalte lagen, was de kans dat er ooit op gebouwd zou mogen worden echter nagenoeg nihil. Het Deventer Dagblad publiceerde op dezelfde datum een artikel van gelijke strekking.

 

 

 

 

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat betrokkenen onrechtmatig, althans onzorgvuldig hebben gehandeld. Hij had in de advertentietekst weloverwogen gekozen voor anonimiteit, omdat het om de afwikkeling van een boedelscheiding ging en hij alleen met serieuze gegadigden in contact wilde treden. De advertentie-afdeling van uitgeverij Wegener moet zijn naam aan de journalist ter beschikking hebben gesteld, omdat hij al enkele uren na het verschijnen van de advertentie in de krant door Boonstra werd gebeld. Deze vroeg klager naar de locatie van de percelen, maar klager heeft geweigerd hem daarover te informeren. Betrokkenen hebben klager's anonimiteit opgeheven door diens naam en woonplaats te publiceren, hetgeen volgens klager geheel overbodig was. In het artikel staat dat een deel van de aangeboden bosgrond in de gemeente Raalte ligt. Dit is volgens klager onjuist. De te koop aangeboden grond had geen natuurwetenschappelijke waarde, reden waarom klager verwachtte dat de percelen te zijner tijd bebouwd mochten worden of een recreatieve bestemming konden krijgen. De prijs was op die verwachting afgestemd. Met de inhoud van het artikel wordt de suggestie gewekt dat klager een oplichter is

 

Volgens betrokkenen wekte de advertentie van klager de belangstelling van de redactie, omdat soortgelijke advertenties in het verspreidingsgebied aanleiding hadden gegeven tot klachten over misleiding van kopers. De naam van klager kon de redactie door raadpleging van verschillende externe en voor eenieder vrij toegankelijke bronnen, waaronder de gemeente Raalte, eenvoudig achterhalen. Die anonimiteit moest klager overigens in zijn contact met potentiële gegadigden toch ook prijsgeven. Van de gemeente Raalte vernamen betrokkenen tevens dat de kans dat de grond ooit voor woningbouw in aanmerking zou kunnen komen vrijwel nihil was. Daarop hebben betrokkenen besloten tot publicatie van een artikel met een 'waarschuwende strekking', Het maatschappelijk belang daarvan was groter dan het eventuele beroep van klager op zijn privacy, aldus betrokkenen. Zij hebben klager verzocht te reageren op de door hun bronnen geuite twijfels, c.q. expliciet uitgesproken waarschuwingen, maar daarop wilde hij niet ingaan.

 

 

 

 

BEVOEGDHEID

De Raad acht zich niet bevoegd te oordelen over dat onderdeel van de klacht dat betrekking heeft op een mogelijke gedraging van de advertentie-afdeling van Wegener, omdat die niet als een journalistieke gedraging kan worden aangemerkt.

 

 

 

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Het behoort tot de vrijheid van de pers om onderzoek te doen naar de aanbieder en achtergrond van een anonieme advertentie en de resultaten daarvan te publiceren. Alle gegevens die er toe dienen om die publicatie zo volledig mogelijk te maken, opdat de lezer zich een waarheidsgetrouw en controleerbaar beeld van de feiten kan vormen, mogen in beginsel worden vermeld. In het onderhavige geval is het aanvaardbaar dat in het artikel de naam van de adverteerder werd genoemd. Zijn anonimiteit is overigens betrekkelijk, omdat elke serieuze reflectant de identiteit van klager kon achterhalen. Klager heeft geen overtuigende argumenten aangedragen op grond waarvan de Raad tot de conclusie komt dat in dit geval vermelding van naam en personalia achterwege had dienen te blijven. De mening van klager, dat het artikel de suggestie wekt dat hij een oplichter is, deelt de Raad niet.
Hoe de journalist de naam van klager heeft achterhaald, heeft de Raad niet kunnen vaststellen. Toen klager door de journalist werd gebeld, had hij echter kunnen begrijpen dat hij niet langer anoniem was. Hoewel het in zijn belang was om te voorkomen dat er onjuistheden in de krant kwamen, heeft hij de vraag van de journalist naar de locatie van de bospercelen niet willen beantwoorden en de mogelijkheid om openheid van zaken te geven en onjuiste veronderstellingen te corrigeren voorbij laten gaan. Overigens heeft de Raad feitelijk niet kunnen vaststellen dat de genoemde locatie onjuist is.
Alle omstandigheden in aanmerking nemend is de Raad van oordeel dat in dit geval de grenzen van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is niet zijn overschreden.

 

 

 

BESLISSING

De Raad acht zich niet bevoegd te oordelen over de klacht voor zover die betrekking heeft op een mogelijke gedraging van de advertentie-afdeling van Wegener Uitgeverij en acht de klacht voor het overige ongegrond.

 

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in de Zwolsche Courant te publiceren.

 

 

Aldus vastgesteld door de Raad op 11 maart 1999 door mr. W.D.H. Asser, voorzitter, mr. G. Dullens, mr. A.J. Heerma van Voss, mw. A.G. Scherphuis en drs. K.J. van der Zande, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. I.H.J. Konings, secretaris.

 

 

Uitspraak 1999-18