1999/16 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

H. van Drunen

tegen

de hoofdredactie van het Nederlands Dagblad

Bij brief van 14 september 1998 met twee bijlagen heeft mr. M.F. Wijngaarden, advocaat te Amsterdam, namens de heer H. van Drunen te Utrecht (klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van het Nederlands Dagblad (betrokkene).
Hierop heeft mr. H.F Doeleman, advocaat te Amsterdam, gereageerd in een brief van 15 oktober 1998 met 8 bijlagen.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 4 februari 1999 in aanwezigheid van partijen en hun advocaten.

DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten.

Het Nederlands Dagblad publiceerde op 10 juni 1998 een artikel met de titel "FOK moet Pieter Vis nog steeds betalen" dat op een andere pagina werd vervolgd onder de titel "Van een postbus peuter je geen tienduizend gulden los." Het artikel heeft betrekking op de moeilijkheden die de concertzanger Pieter Vis ondervond bij het executeren van een vonnis, waarbij het Fascisme Onderzoek Kollektief (FOK) werd veroordeeld tot schadevergoeding aan Vis. FOK had in een persbericht de zanger beschuldigd van rechts-extremisme en antisemitisme. Dit leidde tot annulering van een concert dat Vis in Utrecht zou geven ter gelegenheid van het afscheid van de commissaris van de Koningin. Volgens het artikel is het moeilijk te achterhalen wie het FOK is en waar het zit. Klager wordt onder vermelding van naam, adres, bron van inkomsten en beschrijving van zijn uiterlijk, genoemd als woordvoerder van FOK. Hij zou zich bedienen van het pseudoniem 'Hans Toornvliet'.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager ontkent de impliciete beschuldiging in het artikel dat hij recentelijk onder de naam 'Hans Toornvliet' voor het FOK als woordvoerder heeft opgetreden. Zijn contacten met het FOK dateren van -minimaal- drie jaar geleden. Hij is nooit als 'Hans Toornvliet' naar buiten getreden. Klager stelt dat hij door de publicatie van de beschuldiging dat hij actief is voor het FOK en de gegevens over zijn persoon gegronde reden heeft om te vrezen voor een fysieke aanval van extreem rechts op zijn woning of zijn persoon. Het artikel bevat bovendien foutieve informatie over hem, namelijk dat hij aanwezig was bij het Kort Geding van Pieter Vis tegen FOK en dat het pand waar hij woont van zijn vader is die synodaal-gereformeerd predikant zou zijn geweest. De enige in het artikel met name genoemde bron is de heer P.G.J.A. Ego, die ooit naar aanleiding van een klacht van het FOK wegens rassendiscriminatie is veroordeeld en dus niet betrouwbaar is volgens klager. Betrokkene heeft klager niet benaderd voor hoor en wederhoor.

Volgens betrokkene doet het artikel verslag van de poging om een medewerker van FOK uit de anonimiteit te halen. Het noemen van persoonlijke gegevens zou daarom functioneel zijn. Hij heeft de gegevens verkregen van verschillende betrouwbare bronnen Voor zover is gebleken van enige onjuistheid is die van ondergeschikte betekenis. Betrokkene heeft getracht klager te bereiken, maar die had een geheim telefoonnummer. Van andere journalisten had betrokkene vernomen dat klager nooit reageerde op brieven. Er is volgens betrokkene geen enkele aanwijzing dat klager enig negatief gevolg heeft ondervonden, laat staan schade heeft geleden of nog zal lijden van de publicatie. Volgens betrokkene is de vrees daarvoor erg overtrokken.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De vermelding van adressen is in het kader van dit artikel, waarin geprobeerd werd te achterhalen wie zich verschuilen achter de organisatie FOK, wel begrijpelijk. Publicatie van het adres van klager, terwijl niet onomstotelijk vast stond dat deze op dat moment betrekkingen onderhield met FOK en als woordvoerder van die organisatie optrad, acht de Raad echter onzorgvuldig. Dit klemt te meer nu er behalve de vermelding van de naam en het adres ook nog een beschrijving van het uiterlijk van klager werd gegeven. Een dermate grote inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van klager wordt niet gerechtvaardigd door het doel van het artikel.
Aan het beginsel van hoor en wederhoor is bovendien onvoldoende inhoud gegeven. Nadat bleek dat klager over een geheim telefoonnummer beschikte, had betrokkene hem immers kunnen schrijven of bezoeken. Gebleken is echter dat hij op geen enkele wijze heeft getracht in contact te treden met klager. Het argument dat dit volgens collega-journalisten niets zou opleveren vindt de Raad niet overtuigend.
Alles bij elkaar genomen constateert de Raad dat de grenzen van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid maatschappelijk aanvaardbaar is, zijn overschreden.

BESLISSING

De Raad acht de klacht gegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in het Nederlands Dagblad te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 11 maart 1999 door mr. W.D.H. Asser, voorzitter, mr. G. Dullens, mr. A.J. Heerma van Voss, mw. A.G. Scherphuis en drs. K.J. van der Zande, leden, in tegenwoordigheid van Mw. mr. I.H.J. Konings, secretaris.

Uitspraak 1999-16