1999/15 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

Vereniging Milieu-Offensief

tegen

H. van Ess

Bij brief van 18 augustus 1998 met 4 bijlagen heeft ir. S.C. van de Wouw, voorzitter van de Vereniging Milieu-Offensief te Wageningen (klaagster) een klacht ingediend tegen journalist H. van Ess (betrokkene).
Hierop heeft R.H. van de Loo, adjunct-hoofdredacteur van Wegener Uitgeverij Midden Nederland, namens betrokkene gereageerd in een brief van 16 september 1998.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 10 december 1998, in aanwezigheid van partijen.

DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten.

Op de voorpagina van het Utrechts Nieuwsblad verscheen op zaterdag 1 augustus 1998 een artikel van de hand van betrokkene met de kop Boeren kopen milieuprotest af. De inleiding bij het artikel luidt:
Ruim honderd Utrechtse en Gelderse boeren hebben voor tienduizenden guldens per persoon milieuprotesten afgekocht van een actiegroep tegen de bio-industrie. Naast de boeren betaalt ook één gemeente, Harderwijk, om de kritiek van de milieu-activisten van tafel te krijgen.
Pagina drie van de krant bevatte een vervolgartikel met de kop Boeren ziedend op 'etterige studenten' en de sub-kop Dode kadavers in reactie op bezwaarschriften milieuvereniging.
De inleidende alinea luidt:
De Vereniging Milieu-Offensief (VMO) heeft de oorlog verklaard aan de bio-industrie. Boeren moeten voor tienduizenden guldens ammoniakrechten overnemen van collega's. Zo niet, dan grijpt de vereniging elke mogelijkheid aan om een milieuvergunning tegen te houden.
Op dezelfde pagina zijn in een apart kader berichten geplaatst met de kop Ambtenaren tippen VMO over tijdstip vergunningen en Bezwarenmachine krijgt ook geld Postcodeloterij.
Het artikel is via de GPD verspreid en ook in enkele andere regionale dagbladen gepubliceerd.
Klaagster heeft voorafgaand aan de publicatie uitgebreid gesproken met betrokkene. Op het concept-artikel, dat door betrokkene aan haar is voorgelegd, heeft zij inhoudelijk gereageerd. Op 7 augustus 1998 heeft het Utrechts Nieuwsblad een ingezonden brief van klaagster gepubliceerd. In die brief reageert klaagster op het volgens haar onjuiste beeld dat van haar is geschetst.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klaagster meent dat zij door de artikelen ten onrechte in een kwaad daglicht is gezet. Met de kop en de inleidende alinea op de voorpagina wordt de indruk gewekt dat veehouders en een gemeente aan klaagster geld betalen om bezwaarschriften in te laten trekken. Dit is onjuist. Klaagster dient een bezwaarschrift in als een gemeente aan een veehouder een vergunning voor uitbreiding afgeeft die naar de opvatting van klaagster in strijd is met milieuwetgeving. Indien de veehouder vervolgens de milieuschade van de volgens klaagster onwettige uitbreiding compenseert door aankoop van ammoniakrechten van andere veehouders en aan klaagster de door deze gemaakte juridische kosten vergoedt, is klaagster bereid het bezwaarschrift in te trekken. Het uiteindelijk resultaat is dat de ammoniakuitstoot afneemt, omdat bij verkoop van ammoniakrechten ingevolge het Ammoniakreductieplan 30% wordt gekort op de toegestane uitstoot. De artikelen bevatten volgens klaagster bovendien onjuistheden en ongefundeerde beschuldigingen.

Er bestaat volgens betrokkene veel animositeit tussen klaagster en de agrariërs, hetgeen hij in het artikel heeft weergegeven. De boeren ervaren de opkoop van ammoniakrechten als een afkoop van de bezwaarprocedure. Het gaat daarbij om vele tonnen. De gemaakte fouten in het vergunningenbeleid van de gemeenten blijven door de geschetste gang van zaken bestaan.
Betrokkene wijst erop dat hij zich uitgebreid heeft laten informeren door ter zake deskundige bronnen en ook met klaagster vele uren heeft gesproken. Een aantal door klaagster voorgestelde wijzigingen in het concept heeft hij overgenomen en een ingezonden brief van klaagster is ongewijzigd gepubliceerd. In die brief worden enkele door klaagster genoemde onjuistheden rechtgezet.

Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting hebben partijen met elkaar gesproken over de mogelijkheid van een schikking. Deze gesprekken hebben niet tot het beoogde resultaat geleid.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Kern van de klacht vormt het verwijt dat in de artikelen op tendentieuze wijze en ten onrechte een negatief beeld van de activiteiten van klaagster wordt geschetst. In de gewraakte artikelen wordt - naar aan klaagster moet worden toegegeven, op onderdelen nogal suggestieve en op sommige onderdelen zelfs tendentieuze wijze- een beschrijving gegeven van de soms harde confrontatie tussen milieu-activisten, in het bijzonder klaagster, en de beoefenaren van de intensieve veehouderij. De aandacht richt zich daarbij vooral op de hiervoor beschreven en - naar uit de artikelen blijkt- omstreden gedragslijn van klaagster die erop is gericht veehouders, aan wie naar het inzicht van klaagster met de wet strijdige vergunningen voor het uitbreiden van hun bedrijf zijn verleend, ammoniakrechten 'uit de markt te laten halen'. Klaagster verbindt zich daarbij haar tegen het verlenen van die vergunning ingediende bezwaar in te trekken.
Anders dan klaagster stelt beweert betrokkene niet dat zij misbruik maakt van de mogelijkheid om een bezwaarschrift in te dienen of daarmee financieel voordeel behaalt. Dit laatste ligt ook niet besloten in het gebruik van de term 'afkopen', waarmee wordt gedoeld op de betaling aan de veehouder wiens ammoniakrechten in een bepaald geval 'uit de markt worden gehaald'. De Raad kan klaagster dan ook niet volgen in haar standpunt dat zij in de artikelen in een kwaad daglicht wordt gesteld. Dat de in het artikel aan het woord gelaten tegenstanders van klaagster zich weinig vriendelijk over haar uitlaten behoort tot de risico's die voorzienbaar verbonden zijn aan de door klaagster als milieu-actiegroep zelf gezochte confrontatie.
Voor zover door de artikelen al een onjuiste indruk omtrent de activiteiten van klaagster zou zijn gewekt verdient nog te worden opgemerkt dat klaagster deze in een kort na 1 augustus geplaatste ingezonden brief heeft kunnen corrigeren.
De Raad komt tot de slotsom dat met de artikelen geen grens is overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING

De Raad acht de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in het Utrechts Nieuwsblad te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 26 februari 1999 door mr. J.B. Fleers, voorzitter, W.H.K. Ammerlaan, mr. G. Dullens, prof. mr. E.C.M. Jurgens en mw. J.A. Koerts, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. I.H.J. Konings, secretaris.

Uitspraak 1999-15