1999/14 deels gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

H. Verwey-Jonker

tegen

hoofdredactie van NRC Handelsblad

Bij brief, ontvangen op 6 november 1998, met 3 bijlagen heeft mevrouw H. Verwey-Jonker te Utrecht (klaagster) een klacht ingediend tegen de hoofdredactie van NRC Handelsblad (betrokkene).
Hierop heeft de heer F.E. Jensma, hoofdredacteur, gereageerd in een brief van 23 november 1998 met 1 bijlage.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 15 januari 1999, in aanwezigheid van partijen.

Naar aanleiding van de plotselinge ontstentenis van een der leden van de Raad, hebben partijen desgevraagd laten weten geen overwegende bezwaren te hebben tegen behandeling van de zaak door de voorzitter en drie leden.

DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten.

NRC Handelsblad publiceerde op 10 september 1998 een artikel op de opiniepagina onder de kop 'De republiek komt er echt nog wel" (De vorstin begint de gevarenzone te benaderen, er smeult verzet), van de hand van J. Prillevitz. Klaagster heeft een uitgebreide reactie op dat artikel ingezonden onder de titel 'Dankzij onze goede Koninginnen krijgen we nog geen republiek'. Dit stuk was bedoeld voor de opiniepagina van NRC Handelsblad. De redactie plaatste het op 28 september 1998 onder de titel 'Republikeinse bril' in sterk ingekorte vorm in de rubriek 'Brieven' op de opiniepagina. Weggelaten werd onder meer de lange passage waarin waarderend wordt gesproken over de rol van koningin Wilhelmina in de Tweede Wereldoorlog. Over de wijziging en inkorting heeft met klaagster geen overleg plaatsgevonden.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klaagster, oud-journalist, stelt dat door verandering van de kop en weglating zonder voorafgaand overleg van alle passages die als verdediging van de monarchie kunnen worden opgevat het artikel van betekenis is veranderd. Het lijkt er nu op alsof zij zich in het republikeinse kamp heeft begeven. Klaagster wilde aan de hand van de geschrapte beschouwing over de rol van koningin Wilhelmina in oorlogstijd aantonen dat juist in die periode veel respect voor het koningshuis en begrip voor het belang van de monarchie als permanente bindende factor is ontstaan. Het stuk was als een artikel bedoeld en niet als een ingezonden brief. Klaagster heeft naar aanleiding van de publicatie een kort protestbriefje aan betrokkene gestuurd, maar daar werd niet op gereageerd.

Betrokkene wijst erop dat onder aan de opiniepagina regelmatig de mededeling wordt geplaatst dat de redactie zich het recht voorbehoudt artikelen te weigeren, dan wel te redigeren of in te korten. De reactie van klaagster overschreed de gebruikelijke lengte van 300 woorden voor een ingezonden brief en 800 woorden voor een bijdrage aan de opiniepagina, zodat inkorting noodzakelijk was. Betrokkene stelt dat de strekking van het stuk door de redactionele bewerking niet is veranderd. Geschrapt zijn vooral de persoonlijke ervaringen van klaagster en enkele adstructies voor beweringen. Haar fundamentele kritiek op het artikel van Prillevitz is overeind gebleven. Betrokkene betreurt achteraf dat de redactie geen contact heeft opgenomen met klaagster. Hij heeft het proteststukje van klaagster niet ontvangen.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Het is journalistiek niet ongebruikelijk die ingezonden stukken worden ingekort. In dit geval ging het evenwel om een bijzonder forse inkorting van ongeveer twee derden van het artikel. Gezien ook de titel die klaagster zelf aan haar stuk meegaf (maar die door de redactie is gewijzigd in "Republikeinse bril"), was het mede haar bedoeling om over te brengen welke belangrijke rol de drie opeenvolgende koninginnen hebben gespeeld in de Nederlandse samenleving. Dit onderdeel van het betoog van klaagster valt in de brief zoals deze is gepubliceerd niet meer te lezen. Dat neemt echter niet weg dat de voor de discussie met Prillevitz wezenlijke kern van die brief - a) zijn er eigenlijk wel sporen van smeulend verzet tegen de monarchie, en b) een discussie over het vervangen van de monarchie heeft slechts zin als daarbij ook de alternatieven kritisch worden bezien - onaangetast is gebleven. Evenmin is door de inkortingen de suggestie gewekt dat klaagster zich in het republikeinse kamp zou hebben begeven. Desalniettemin is hier duidelijk sprake van een zo drastische ingreep dat het, gezien ook de aard van de bij velen gevoelig liggende materie, op de weg van de redactie zou hebben gelegen om na te gaan of klaagster, voor wie haar, deels op persoonlijke ervaringen gebaseerde, schets van het functioneren van koningin Wilhelmina in de discussie met Prillevitz klaarblijkelijk wel een argument opleverde, wel prijs stelde op publicatie van de ingekorte versie. De redactie heeft dat echter nagelaten. In zoverre is de klacht gegrond.
Over het uitblijven van een reactie op de door klaagster naar aanleiding van de publicatie verzonden protestbrief kan de Raad niet oordelen, nu betrokkene heeft meegedeeld die niet te hebben ontvangen en de Raad geen reden heeft de juistheid van die mededeling in twijfel te trekken.

BESLISSING

De Raad acht de klacht gegrond voor zover die betrekking heeft op het zonder voorafgaand overleg aanpassen en ingrijpend inkorten van het ingezonden stuk en voor het overige ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in NRC Handelsblad te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 5 februari 1999 door mr. J.B. Fleers, voorzitter, W.H.K. Ammerlaan, mr. E.C.M. Jurgens en mr. B.A. Schmitz, in tegenwoordigheid van Mw. mr. I.H.J. Konings, secretaris.

Uitspraak 1999-14