1999/13 ongegrond

 

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

Mevrouw S. Stuivenberg en de heer J. Stuivenberg

tegen

X en de hoofdredactie van De Twentsche Courant/Tubantia

Bij brief van 2 november 1998 met 1 bijlage heeft mevrouw S. Stuivenberg te Enschede, mede namens haar echtgenoot J. Stuivenberg (klagers) een klacht ingediend tegen journalist X en de hoofdredactie van De Twentsche Courant/Tubantia (betrokkenen). Hierop hebben X en de heer F.G.M. van den Brink gereageerd in een brief van 11 november 1998 met 3 bijlagen.
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 15 januari 1999, buiten aanwezigheid van partijen.

Vanwege de plotselinge ontstentenis van een der leden van de Raad vond beoordeling van de klacht plaats door de voorzitter en drie leden.

DE FEITEN

Op grond van de stukken gaat de Raad uit van de volgende feiten.

Klagers hebben een praktijk voor kleur-bioresonantietherapie.
Hierover heeft X hen begin september 1998 geïnterviewd. In het concept-artikel dat vóór publicatie aan hen ter inzage werd gegeven, lazen klagers dat X ook informatie over de therapie had ingewonnen bij de Vereniging tegen Kwakzalverij. Een woordvoerder van die vereniging liet zich zeer kritisch uit over de therapie. De vereniging beschouwt kleur-bioresonantietherapeuten als kwakzalvers. Ondanks bezwaren van klagers is het artikel in de Twentsche Courant/Tubantia gepubliceerd op 26 september 1998 onder de kop 'Kleuren die wonderen doen' en de sub-kop 'Bioresonantietherapie blijft omstreden methode'. De reactie van klaagster op de kritiek van de Vereniging tegen Kwakzalverij is aan het slot van het artikel opgenomen.
Op woensdag 14 oktober 1998 publiceerde de krant een ingezonden brief van klaagster, naast twee brieven van tevreden patiënten.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Volgens klagers was met X afgesproken dat het artikel zou bestaan uit een interview met hen en met een patiënt. Zij zijn van mening dat hen van tevoren verteld had moeten worden dat de Vereniging tegen Kwakzalverij om een oordeel over de kleur-bioresonantietherapie zou worden gevraagd. Zij zouden in dat geval niet aan het interview hebben meegewerkt. De volgens hen ongefundeerde kritiek op de therapie van de Vereniging heeft schadelijke gevolgen gehad voor hun praktijk.

De betrokken journalist stelt dat tijdens het interview uitdrukkelijk ter sprake is gekomen dat de therapie omstreden is. Zij ziet het als haar journalistieke taak daarvan in het artikel melding te maken. Om die reden heeft zij de kritiek van de vereniging van Kwakzalverij in het artikel opgenomen. Omdat klagers bezwaren hadden tegen die kritiek heeft zij het artikel besloten met een reactie van klaagster. De lezersredacteur van de krant heeft vervolgens contact opgenomen met klagers en hen gewezen op de mogelijkheid een klacht in te dienen bij de Raad.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De klacht gaat er vanuit dat klagers met de journalist een afspraak hebben gemaakt, die inhield dat het artikel uitsluitend het verhaal van klagers en de ervaring van een patiënt zou bevatten. Het bestaan van een dergelijke afspraak is echter niet aannemelijk gemaakt. Klagers zijn er voorafgaand aan de publicatie van op de hoogte gesteld dat de mening van de Vereniging tegen Kwakzalverij in het artikel was opgenomen. Naar aanleiding van de bezwaren van klagers heeft de journalist aan het slot van het artikel hun reactie op de kritiek van de Vereniging vermeld. Bovendien heeft de lezersredacteur achteraf contact opgenomen met klagers om een en ander te bespreken en is een ingezonden brief van klaagster gepubliceerd. Dit alles in aanmerking genomen is de Raad van oordeel dat de grenzen van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid maatschappelijk aanvaardbaar is, niet zijn overschreden.

BESLISSING

De Raad acht de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in De Twentsche Courant/Tubantia te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 5 februari 1999 door mr. J.B. Fleers, voorzitter, W.H.K. Ammerlaan, prof. mr. E.C.M. Jurgens en mr. B.A. Schmitz, leden, in tegenwoordigheid van Mw. mr. I.H.J. Konings, secretaris.

 

Uitspraak 1999-13