1999/11 deels gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

H. Pijpers

tegen

R. Kagie en de hoofdredacteur van Vrij Nederland

Bij brief van 15 oktober 1998 met 3 bijlagen heeft mevrouw H. Pijpers te Naarden (klaagster) een klacht ingediend tegen journalist R. Kagie en de hoofdredacteur van het weekblad Vrij Nederland (betrokkenen). Hierop heeft de heer O. Garschagen, hoofdredacteur, gereageerd in een brief van 23 november 1998.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 15 januari 1999, zonder dat partijen daarbij aanwezig waren.

Vanwege de plotselinge ontstentenis van een der leden van de Raad, heeft beoordeling van de klacht plaatsgevonden door de voorzitter en drie leden.

DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten.

Klaagster beëindigde medio september 1998 haar werkzaamheden als presentatrice bij de VPRO. Ze nam per 1 november 1998 ontslag en zette haar carrière voort bij de AVRO. In verband hiermee nam journalist Kagie in september 1998 telefonisch contact met haar op en stelde hij enkele vragen over haar vertrek bij de VPRO. Hierover verscheen een bericht in de rubriek Laag Water in Vrij Nederland van 19 september 1998. Na enkele zinnen over het daverend feest vanwege het afscheid van de hoofdredacteur-radio van de VPRO volgt de volgende passage:
Des te geruislozer verliep deze maand het vertrek van presentatrice Harmke Pijpers, in wier ietwat deftige dictie trouwe luisteraars gedurende meer dan dertig jaar de stem van de progressieve kwaliteitsomroep herkenden. Nog geen bloemetje kon eraf. Aan het einde van haar laatste werkdag ontruimde Pijpers haar bureau, zoende directe collega's ten afscheid en sloeg de deur definitief achter zich dicht. "Ik heb tientallen jaren met veel plezier bij de VPRO gewerkt, maar ik ben er op een rare manier weggegaan", zegt ze. De relatie met Hans Maarten van der Brink, hoofdredacteur VPRO-televisie, was bekoeld tot het soort vijandschap waarin zelfs voor het mompelen van een groet geen plaats meer is. "Dus ben ik met stille trom bij de VPRO weggegaan, om straks bij de AVRO voor het nodige lawaai te gaan zorgen, stel ik me voor" (...)
Klaagster heeft Kagie schriftelijk en de hoofdredacteur telefonisch van haar ongenoegen over het stuk op de hoogte gesteld. Haar brief aan Kagie, die ter publicatie was aangeboden, is niet geplaatst maar wel door Kagie beantwoord met excuses.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Volgens klaagster is de gewraakte passage geen juiste weergave van het telefoongesprek dat zij met Kagie voerde. De indruk wordt gewekt dat alle informatie in het stuk van haar afkomstig is, hetgeen niet zo is. Zij heeft tijdens het telefoongesprek geweigerd mededelingen te doen over haar vertrek bij de VPRO. Ze heeft alleen gezegd dat ze stil vertrok bij de VPRO en met veel lawaai zou beginnen bij de AVRO. Over haar relatie met Van der Brink heeft zij zich in het geheel niet uitgelaten. Door haar brief van 23 september 1998 aan Kagie niet te plaatsen heeft men haar bovendien een weerwoord onthouden.

Volgens betrokkenen vormde een tip van een VPRO-medewerker, die zich kwaad maakte over de gang van zaken rond het vertrek van klaagster, de aanleiding voor het bericht in Laag Water. Omdat hij ook klaagster zelf aan het woord wilde laten heeft Kagie telefonisch contact met haar opgenomen. Er staan volgens hem in het stukje geen citaten die niet door klaagster zijn uitgesproken. De feiten had hij op andere wijze verzameld. Naar aanleiding van de brief van klaagster heeft Kagie excuses aangeboden voor de narigheid die hij haar kennelijk had bezorgd en de verkeerde inschatting die hij had gemaakt van het onderwerp. Later hebben betrokkenen met de hoofdredacteur van de VPRO-radio afgesproken dat deze hen zou informeren over de bijzonderheden van een uitgesteld afscheidsdiner voor klaagster, teneinde daarover in Laag Water aanvullend te kunnen berichten. Betrokkenen hebben echter niets meer vernomen.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De klacht is in hoofdzaak gericht tegen de weergave van het telefoongesprek dat klaagster met Kagie voerde. Door die weergave wordt volgens klaagster de indruk gewekt dat alle informatie in haar stuk van klaagster zelf afkomstig is. Klaagster stelt dat zij duidelijk heeft gemaakt niets te willen zeggen over haar vertrek bij de VPRO. Betrokkenen hebben dit niet weersproken. Zij voeren aan dat zij de informatie uit andere bron hebben verkregen. Of die informatie onjuist is, zoals klaagster stelt, kan de Raad niet vaststellen, temeer niet nu klaagster heeft nagelaten aan te geven wat er niet juist aan is. De Raad is het echter met klaagster eens, dat met het bericht ten onrechte de indruk wordt gewekt dat zij iets gezegd heeft over de verstoorde relatie met Van der Brink of zich beklaagd heeft over de wijze waarop zij bij de VPRO is vertrokken. In zoverre is de klacht gegrond.
Daarnaast richt de klacht zich tegen het niet plaatsen van de ingezonden brief van klaagster, waardoor haar een weerwoord zou zijn onthouden.
Naar het oordeel van de Raad is de ingezonden brief van klaagster meer een emotionele dan een inhoudelijke reactie op het gewraakte bericht. Het is voorstelbaar dat betrokkenen de brief om die reden niet hebben gepubliceerd.

BESLISSING

De Raad acht de klacht gegrond, voor zover die betrekking heeft op de suggestieve weergave van het telefoongesprek en voor het overige ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in Vrij Nederland te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 5 februari 1999 door mr. J.B. Fleers, voorzitter, W.H.K. Ammerlaan, prof. mr. E.C.M. Jurgens en B.A. Schmitz, leden, tegenwoordigheid van Mw. mr. I.H.J. Konings, secretaris.

Uitspraak 1999-11