1998/9 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

A. van Hoewijk

tegen

weekblad Vrouw Vandaag

Bij brief van 31 oktober 1997 heeft A. van Hoewijk (klaagster) een klacht ingediend tegen het weekblad Vrouw Vandaag (betrokkene). Bij brief van 11 november 1997 heeft klaagster de klacht aangevuld met negen bijlagen. Bij brief van 15 december 1997 heeft mr. A.R. de Winter namens VNU Telepress Publications B.V. een verweerschrift met vier bijlagen aan de Raad toegezonden. Klaagster heeft daarop bij brief van 19 januari 1998 gereageerd.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 23 januari 1998. Klaagster is, onder opgave van redenen, niet verschenen. Namens betrokkenen zijn verschenen I. Allard, hoofdredacteur van Vrouw Vandaag en mr. De Winter, die het verweer aan de hand van pleitnotities nader heeft toegelicht.

DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten.

Klaagster heeft gereageerd op een advertentie van Vrouw Vandaag in een landelijk ochtendblad, waarin lezers werden uitgenodigd te schrijven over een verre liefde en aldus mee te dingen naar een vliegticket. Naar aanleiding van een kort briefje van klaagster heeft betrokkene klaagster verzocht een uitvoeriger versie van haar verhaal op te sturen. Nadat klaagster dat gedaan had heeft een verslaggeefster van betrokkene een afspraak voor een interview met klaagster gemaakt. Bij het maken van die afspraak is aan klaagster meegedeeld dat het vliegticket intussen al aan een andere deelnemer was vergeven.
Klaagster heeft desondanks meegewerkt aan het interview, dat op 19 augustus 1997 is gehouden. Klaagster heeft in overleg met de verslaggeefster uitdrukkelijk niet gekozen voor het gebruik van een schuilnaam. De verslaggeefster heeft het verhaal van klaagster - in de vorm van een open brief - bij brief van 9 september 1997 in concept aan klaagster toegezonden. In deze brief is vermeld:

"Mochten er nog onjuistheden in de tekst staan, dan hoor ik dat graag. (..) Zou je het verhaal willen ondertekenen en naar mij terugsturen als je ermee akkoord gaat?"

De redactie van betrokkene heeft, omdat klaagster niet reageerde op de brief van 9 september 1997, een boodschap op het antwoordapparaat van klaagster ingesproken met het verzoek te reageren op de toegezonden tekst. Omdat klaagster ook daarop niet reageerde heeft betrokkene vervolgens bij brief van 18 september 1997 klaagster bericht dat haar verhaal waarschijnlijk gepubliceerd zou worden in Vrouw Vandaag nr. 40.
Betrokkene heeft een standaardformulier bijgesloten met het verzoek dit ondertekend te retourneren als klaagster met het concept akkoord ging. Dit formulier, dat in de kop vermeldt: "Geplande publicatiedatum: 40" houdt onder meer in dat de ondergetekende verklaart:

"1. Volledige medewerking te zullen geven aan een waarheidsgetrouw interview alsmede toe te stemmen in publicatie ervan in VROUW VANDAAG, welk interview zal worden afgenomen door de journalist Rosanne Loffeld, op een geluidsband zal worden vastgelegd en waarvan de kopij tijdig ter lezing aan haar/hem zal worden voorgelegd.
2. Er mee in te stemmen niet later dan op de 7e dag (zon- en feestdagen tellen mee) vóór de in de kop vermelde geplande publicatiedatum, aan VROUW VANDAAG mede te delen welke eventuele feitelijke onjuistheden gecorrigeerd dienen te worden in de ter lezing toegezonden kopij.
3. Er mee in te stemmen dat indien zij/hij op de hiervoor genoemde dag niets van zich heeft laten horen, VROUW VANDAAG ervan uit mag gaan dat de kopij volledig akkoord wordt bevonden."

Klaagster heeft het formulier niet teruggezonden. In plaats daarvan heeft zij bij brief van 22 september 1997 betrokkene bericht dat zij geen toestemming gaf voor de plaatsing van de open brief. In een faxbrief van diezelfde datum aan betrokkene heeft zij aangekondigd dat een brief met een dergelijke strekking onderweg was en dat derhalve geen toestemming bestond voor plaatsing in week 40. De eerste werkdag van week 40 was 29 september 1997.

De open brief van klaagster is - ongewijzigd ten opzichte van het concept - geplaatst in Vrouw Vandaag nummer 39. Toen betrokkene de faxbrief van 22 september 1997 van klaagster ontving was de kopij voor nr. 39, met daarin de open brief van klaagster, al naar de drukker gezonden en door deze ten behoeve van het drukproces op koperen cilinders geëtst.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klaagster stelt zich op het standpunt dat zij geen toestemming heeft gegeven voor publicatie van haar verhaal. Hoewel zij aanvankelijk aan de publicatie heeft meegewerkt mocht zij van mening veranderen, alsnog ervoor kiezen het formulier niet te ondertekenen en haar definitieve toestemming aan publicatie onthouden, aldus klaagster. Klaagster meent dat zij haar bezwaren tijdig kenbaar heeft gemaakt omdat zij ervan mocht uitgaan dat publicatie zou plaatsvinden in week 40. Klaagster is van mening dat betrokkene onzorgvuldig te werk is gegaan en aldus in strijd heeft gehandeld met haar journalistieke en maatschappelijke verantwoordelijkheid.

Betrokkene stelt dat klaagster toestemming heeft gegeven voor de publicatie. Zij is zelf met haar verhaal gekomen en heeft betrokkene steeds de indruk gegeven dat zij publicatie wenste. Het standaardformulier diende slechts ter bevestiging van hetgeen al afgesproken was en had, gelet op de gegeven toestemming, geen zelfstandige betekenis. Omdat Vrouw Vandaag een nieuw tijdschrift was moest het formulier in de periode dat klaagster genterviewd werd nog worden ontwikkeld. Het formulier wordt nu reeds bij het eerste contact aan genterviewden voorgehouden.

Vrouw Vandaag wijst erop dat intern aldus wordt gewerkt dat publicatie in nr. 39 wordt aangemerkt als week 40. Hoewel dit wellicht verwarring heeft gewekt heeft klaagster toch aan zichzelf te wijten dat de publicatie heeft plaatsgevonden. Betrokkene heeft in brieven en berichten op het antwoordapparaat van klaagster gevraagd om een reactie op het concept. Omdat zij niet reageerde ging betrokkene ervan uit dat klaagster met het concept akkoord ging. Haar faxbericht van 22 september 1997 kwam te laat om publicatie van de open brief tegen te houden. Alleen in geval van calamiteiten wordt het drukproces onderbroken, nu een dergelijk ingrijpen tot ernstige vertraging leidt, met alle schade van dien. Er is geen sprake van onwil, aldus betrokkene: indien klaagster eerder contact had opgenomen was de kwestie in goed overleg opgelost.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Met betrekking tot de klacht oordeelt de Raad als volgt.

Bij het zich hier voordoende geval van publicatie van een verhaal van hoogst persoonlijke aard van een persoon die, naar mag worden aangenomen, niet gewend is aan door journalisten gehanteerde werkwijzen, mag van de journalist worden gevergd dat hij zich, mede in het belang van de betreffende persoon, zorgvuldig ervan vergewist dat deze zijn toestemming voor publicatie heeft gegeven en akkoord is met de te publiceren tekst.

Klaagster heeft aanvankelijk meegewerkt aan en ingestemd met publicatie van haar verhaal in de vorm van een open brief.
Betrokkene mocht in die fase op de door klaagster gegeven toestemming afgaan. Vervolgens heeft betrokkene echter, door toezending van het standaardformulier waarin toestemming voor publicatie wordt gevraagd en de begeleidende brief van 18 september 1997 bij klaagster de indruk gewekt dat zij op de gegeven toestemming nog kon terugkomen. Onbekend met de precieze betekenis die betrokkene aan met name het formulier hechtte mocht klaagster, zoals zij blijkbaar heeft gedaan, uit genoemde stukken afleiden dat zij nog definitief toestemming voor de publicatie moest geven en dat zij deze derhalve ook nog kon weigeren.

Nu betrokkene het kennelijk zelf met het oog op het buiten twijfel stellen van klaagsters toestemming nodig vond gebruik te maken van genoemd formulier, mocht zij toen iedere reactie op dat formulier uitbleef niet langer ervan uitgaan dat klaagster met (de in inhoud van de) publicatie instemde. Door desondanks tot publicatie over te gaan heeft zij onzorgvuldig en in strijd met haar journalistieke en maatschappelijke verantwoordelijkheid gehandeld.

BESLISSING

De Raad acht de klacht gegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal dan wel in samenvatting te publiceren in Vrouw Vandaag.

Aldus vastgesteld door de Raad op 2 maart 1998, door mr. J.B. Fleers, voorzitter, H. van Gessel, mr. V. Keur en mr. B.A. Schmitz, leden, in tegenwoordigheid van mr A.R. Creutzberg, secretaris.

Uitspraak 1998-9