1998/8

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

S.K.A. Brown

tegen

P.R. de Vries

Bij brief van 2 oktober 1997 gevolgd door brieven van 6 oktober, 8 oktober, 21 oktober, 4 december en 5 december 1997 met in totaal 8 bijlagen en met overlegging van drie video-opnames, heeft de heer S.K.A. Brown te Eindhoven (klager) een klacht ingediend tegen de heer P.R. de Vries (betrokkene).
Hierop is door betrokkene gereageerd in een brief van 28 november 1997 met 3 bijlagen, met overlegging van één video-opname.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 15 januari 1998. Beide partijen waren daarbij aanwezig. Nadien hebben partijen op verzoek van de Raad nog enkele stukken overgelegd.

DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten.

Klager geniet bekendheid doordat hij in het verleden handelde in softdrugs en door zijn optreden als kroongetuige bij de strafzaak rond de moorden op Klaas Bruinsma en Tonie Hijzelendoorn.
In de week van dinsdag 30 september tot en met vrijdag 3 oktober 1997 heeft betrokkene in zijn door RTL 4 uitgezonden programma 'Peter R. de Vries, misdaadverslaggever' een serie uitzendingen gewijd aan klager. Aanleiding hiervoor was het feit dat klager hem onder meer ervan beschuldigde betrokken te zijn bij een criminele organisatie. Op een in de uitzending ten gehore gebrachte bandopname van een telefoongesprek valt te beluisteren dat klager aan een vriend, Ronnie Ostrowski, geld bood voor het afleggen van een valse verklaring over betrokkene. Deze Ostrowski bevestigt in één van de uitzendingen dat hij op verzoek van klager een valse, voor betrokkene belastende verklaring heeft afgelegd.
In de uitzendingen zijn beelden vertoond die met een verborgen camera zijn opgenomen, niet alleen in een pand waar klager op uitnodiging van Ostrowski enkele malen een bezoek bracht, maar ook in het kantoor van betrokkene waar klager was uitgenodigd voor een gesprek. Op de vertoonde beelden is te zien dat klager enkele snuifjes coke neemt. Ook zijn delen van de gesprekken te horen die klager met Ostrowski voerde.
In het commentaar bij de uitzending wordt de levensloop van klager belicht, waarbij klager door betrokkene als informant van de politie wordt aangeduid. Ook wordt gemeld dat klager in zijn jeugd 'wegens afpersing van medescholieren' in het tuchthuis belandde.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager is van mening dat betrokkene door gebruik te maken van verborgen camera's zijn privacy heeft geschonden. Hij beschuldigt betrokkene van 'nieuws maken' door uitlokking dan wel aanzetting tot cocainegebruik via Ostrowski. Klager beschouwde Ostrowski als een goede vriend en vertrouwde hem volledig. Zijn gesprek met Ostrowski vond plaats in de privé-sfeer en was zeker niet bedoeld voor derden, laat staan voor een breed kijkerspubliek.
Daarnaast heeft betrokkene volgens klager onjuiste informatie over hem naar buiten gebracht. Klager ontkent informant van de politie te zijn en/of te zijn geweest en hij ontkent ook ooit te zijn veroordeeld voor de afpersing van medescholieren. Door de uitzendingen is met name zijn schoolgaande dochter beschadigd.

Betrokkene geeft aan dat hij had besloten een programma te maken over klager, omdat deze een lastercampagne tegen hem was begonnen. Klager zou brieven met verzonnen beschuldigingen aan het adres van betrokkene aan diens opdrachtgevers en aan diverse media hebben verstuurd. Betrokkene beschouwde dit als een ernstige aantasting van zijn integriteit. Hij heeft politie en justitie niet ingeschakeld. Daar had hij geen vertrouwen in, omdat met andere aangiften tegen klager nooit iets zou zijn gebeurd. Betrokkene wilde keiharde bewijzen jegens klager. Hij beseft dat de inzet van verborgen camera's een zwaar middel is, maar er ging volgens hem ook een reële bedreiging uit van klager.
Betrokkene ontkent dat er sprake was van uitlokking. Uit de opnamen zou blijken dat klager uit eigen initiatief cocaïne snoof. De informatie over de afpersing van medescholieren zou afkomstig zijn uit de door klager geautoriseerde biografie 'Drugba-ron in spijkerbroek'. Voor de stelling dat klager als politie-informant is opgetreden verwijst betrokkene naar enkele perspublicaties.

Na de zitting zijn op verzoek van de voorzitter door betrokkene verklaringen van het management van productiemaatschappij John de Mol Producties en van de programmadirecteur van RTL 4 overgelegd, waaruit blijkt dat zij tevoren op de hoogte waren van en goedkeuring hadden gegeven aan de inzet van verborgen camera's. Een door klager gestarte lastercampagne en door hem geuite bedreigingen zouden daarvoor de directe aanleiding zijn geweest.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Het eerste onderdeel van de klacht is gericht tegen de inzet van verborgen camera's en de uitzending van de daarmee verkregen opnamen door betrokkene.

De Raad heeft zich over het gebruik van verborgen opname-apparatuur door journalisten in algemene zin uitgelaten in een uit eigen hoofde gegeven uitspraak van 20 augustus 1996.
Het standpunt van de Raad luidt, kort samengevat, dat journalisten slechts in uitzonderlijke gevallen gebruik mogen maken van een verborgen camera of microfoon om vermeende misstanden aan de kaak te stellen. Als regel moeten zij met open vizier te werk gaan en mogen zij niet met verborgen apparatuur opnamen maken en die uitzenden zonder medeweten of toestemming van de betrokkenen. Alleen zwaarwichtige redenen van algemeen belang kunnen een afwijking van die regel rechtvaardigen.
De Raad vindt het gebruik van verborgen apparatuur alleen toelaatbaar als na behoorlijk onderzoek is gebleken dat de journalist geen andere middelen tot zijn beschikking heeft om ernstige misstanden of rechtsschendingen te openbaren, overeenkomstig de taak van de pers in een democratische samenleving. Voordat tot openbaarmaking wordt besloten, moeten degenen die daarvoor journalistiek verantwoordelijk zijn, een zorgvuldige afweging maken tussen het belang van vrijheid van meningsuiting en het recht op privacy. De Raad meent dat het besluit om gebruik te maken van verborgen opname-apparatuur en de opnamen vervolgens uit te zenden slechts voldoende verantwoord kan worden geacht, als de belangen die daarbij gediend zijn in ruime mate opwegen tegen de inbreuk die door de opnamen wordt gemaakt op rechten en rechtmatige belangen van de betrokkenen.

Ten aanzien van de onderhavige klacht komt de Raad tot het volgende oordeel.

Betrokkene heeft aan de Raad als reden voor de inzet van verborgen camera's opgegeven, dat klager hem in vergaande mate belasterde en bedreigde.
Klager heeft zich ten opzichte van betrokkene gedragen op een wijze die naar alle waarschijnlijkheid als onrechtmatig handelen en mogelijk zelfs als een strafbaar feit kan worden aangemerkt. Het belang van betrokkene om de handel en wandel van klager publiekelijk aan de kaak te stellen, teneinde hem te ontmaskeren als een onbetrouwbaar persoon, weegt naar het oordeel van de Raad echter onvoldoende op tegen de inbreuk die door de opnamen wordt gemaakt op rechten en rechtmatige belan-gen van klager. De Raad is van mening dat er geen sprake is van zwaarwichtige redenen van algemeen belang die de journalistieke handelwijze van betrokkene rechtvaardigen.
Voor de Raad staat bovendien onvoldoende vast, dat betrokkene voor zijn doel geen andere middelen tot zijn beschikking had. In feite was de onthulling van Ostrowski in hetzelfde programma, dat een door klager gemaakte opname een valse verklaring bevatte, op zichzelf reeds voldoende om de stelling van betrokkene, dat klager zich schuldig had gemaakt aan laster en bedrog, aannemelijk te maken. Daartoe was dan ook de inzet van verborgen opname-apparatuur geenszins noodzakelijk. In zoverre is de klacht dan ook gegrond.

De klacht met betrekking tot de vermelding van onjuistheden over klager acht de Raad ongegrond, nu de Raad die onjuistheden niet heeft kunnen vaststellen.

BESLISSING:

De Raad acht de klacht gegrond, voorzover die betrekking heeft op het gebruik van verborgen camera's door betrokkene. Voor het overige acht de Raad de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene aan deze beslissing integraal of in samenvatting aandacht te besteden in zendtijd van het programma 'Peter R. de Vries, misdaadverslaggever'.

Aldus vastgesteld door de Raad op 26 februari 1998 door mr W.D.H. Asser, voorzit-ter, W.H.K. Ammer-laan, M.J. Kes, J.A. Koerts, drs. M.W.M. Vos - van Gortel, leden, in tegenwoordigheid van mr I.H.J. Konings, secretaris.

Uitspraak 1998-8