1998/7 gegrond

 

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

1. A.J.G. Peters en
2. A.M.H. Peters

tegen

A. Lammerse

Bij brief van 1 oktober 1997 met 4 bijlagen, heeft mr H.E.G. Peters, advocaat, namens mevrouw A.J.G. Peters en de heer A.M.H. Peters te Venlo (klagers) een klacht ingediend tegen journalist A. Lammerse (betrokkene).
Hierop is door betrokkene gereageerd in een brief van 24 oktober 1997 met 9 bijlagen.
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 15 januari 1998.
Mevrouw A.J.G. Peters verscheen in persoon, de heer A.M.H. Peters was niet aanwezig. Betrokkene verscheen in persoon, bijgestaan door de heer P. Brill, adjunct-hoofdredacteur van de Volkskrant.

 

DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten.

Betrokkene werkt als freelance correspondent voor de Volkskrant. Betrokkene heeft voor de Volkskrant de verslaggeving verzorgd van de rechtszittingen in de strafzaak van de Bende van Venlo. Hij heeft de beschikking gekregen over het psychiatrisch rapport van het Pieter Baan Centrum dat over klager sub 2 is opgemaakt in het kader van genoemde strafzaak. Het rapport is door hem ter beschikking gesteld aan de regisseur van een toneelstuk over de Bende van Venlo.

 

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klagers verwijten betrokkene dat hij de zeer vertrouwelijke informatie waar hij als journalist over beschikte, heeft afgegeven ten behoeve van een in het openbaar op te voeren toneelstuk. Tijdens de openbare zitting bij de Rechtbank en in hoger beroep bij het Gerechtshof zou door de rechters erop zijn gewezen dat het dossier uitsluitend was bestemd voor intern gebruik. Door zijn handelwijze heeft betrokkene een ernstige inbreuk gemaakt op hun privacy en persoonlijke integriteit, aldus klagers. Klaagster sub 1 heeft in een interview met NRC Handelsblad ook gegevens uit het psychiatrisch dossier genoemd, maar zij kon in dat geval zelf beslissen welke gegevens ze wel en welke ze niet aan de openbaarheid prijs wilde geven.
Klagers hebben overigens bij de Orde van Advocaten een klacht ingediend tegen de advocaat die volgens hen het dossier naar buiten heeft gebracht.

Betrokkene betreurt de gang van zaken en geeft aan dat hij achteraf gezien het dossier beter niet had kunnen afstaan. Hij bestrijdt echter dat hij met zijn handelwijze een ernstige inbreuk op de privacy van klagers heeft gemaakt. Het dossier circuleerde al geruime tijd onder journalisten. Diverse dagbladen hadden er al gebruik van gemaakt en er was uit geciteerd in het boek 'Bende van Venlo'. Betrokkene had het dossier gekregen van een bron onder de voorwaarde dat hij er vertrouwelijk mee zou omgaan. Hij had met de regisseur afspraken gemaakt over gebruik en teruggave van het rapport. Omdat het script voor het toneelstuk al vrijwel vast lag, is het effect van zijn gedraging zeer gering geweest, aldus betrokkene.

 

BEOORDELING VAN DE ONTVANKELIJKHEID

Betrokkene heeft in zijn hoedanigheid van journalist de beschikking gekregen over een op klagers betrekking hebbend psychiatrisch dossier. De wijze waarop hij vervolgens met de verkregen informatie is omgegaan wordt door de Raad aangemerkt als een journalistieke gedraging als bedoeld in artikel 4 van zijn statuten, zodat klagers ontvankelijk zijn in hun klacht.

 

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Betrokkene heeft de beschikking gekregen over materiaal waarvan hij wist of behoorde te weten dat dit dermate privacy-gevoelig was, dat hij het niet zo maar aan derden kon afgeven. Hoewel het rapport kennelijk onder journalisten circuleerde was het niet integraal gepubliceerd. Het vertrouwelijk karakter van het rapport blijkt ook uit het feit dat de bron aan betrokkene heeft verzocht er vertrouwelijk mee om te gaan. Hoewel het opmerkelijk is dat journalisten de beschikking krijgen over dergelijke vertrouwelijke stukken, behoort het tot hun verantwoordelijkheid om met de verkregen gegevens zorgvuldig om te gaan ook waar het gaat om het aan derden ter beschikking stellen van die stukken.

Door het onderhavige, naar zijn aard vertrouwelijke, rapport uit handen te geven voor een doel dat naar het oordeel van de Raad geen enkel verband houdt met journalistieke werkzaamheid met betrekking tot de kwestie waartoe het rapport was opgesteld, heeft betrokkene de grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

 

BESLISSING:

De Raad acht de klacht gegrond.

Aldus vastgesteld door de Raad op 24 februari 1998 door mr W.D.H. Asser, voorzitter, W.H.K. Ammerlaan, M.J. Kes, J.A. Koerts en drs. M.W.M. Vos - van Gortel, leden, in tegenwoordigheid van mr I.H.J. Konings, secretaris.

Uitspraak 1998-7