1998/5 onbevoegd

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

C. van der Leeuw

tegen

H.J. Smeets

Bij brief van 27 november 1997 met 3 bijlagen, heeft de heer C. van der Leeuw te Baku, Azerbaycan (klager) een klacht ingediend tegen de heer H.J. Smeets, verbonden aan de vakgroep vergelijkende taalwetenschappen van de Faculteit der Letteren, Rijksuniversiteit Leiden (betrokkene).
Desgevraagd heeft prof. dr. A. van Staden, hoofdredacteur van de Internationale Spectator, in een brief van 11 december 1997 de Raad nader geïnformeerd over de aard van de medewerking van de heer Smeets aan de uitgave Internationale Spectator.
De zaak is buiten aanwezigheid van partijen behandeld ter zitting van de Raad van 15 januari 1998.

BEOORDELING VAN DE BEVOEGDHEID VAN DE RAAD

De Raad heeft op grond van zijn statuten tot taak om in de bij hem aanhangig gemaakte zaken betreffende journalistieke gedragingen te beoordelen of de grenzen zijn overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

In de uitgave van juli/augustus 1997 van de Internationale Spectator is een bespreking van het boek 'Storm over de Kaukasus' van Charles van der Leeuw gepubliceerd, van de hand van betrokkene. Betrokkene is werkzaam bij de Universiteit van Leiden en is geen journalist. Hij heeft op eigen initiatief de onderhavige boekbespreking aan de Internationale Spectator gezonden en daarvoor geen honorarium ontvangen. De boekbespreking was de eerste en tot nu toe ook de enige bijdrage van betrokkene die door dit blad is gepubliceerd.

De Raad stelt vast dat de klacht geen betrekking heeft op een journalistieke gedraging, als bedoeld in artikel 4 van de Statuten. De Raad is derhalve niet bevoegd een oordeel te geven over de klacht.

BESLISSING:

De Raad verklaart zich niet bevoegd om te oordelen over de klacht.

Aldus vastgesteld door de Raad op 13 februari 1998 door mr W.D.H. Asser, voorzitter, W.H.K. Ammerlaan, M.J. Kes, J.A. Koerts en drs. M.W.M. Vos-Van Gortel, leden, in tegenwoordigheid van mr I.H.J. Konings, secretaris.

Uitspraak 1998-5