1998/47 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

H. van Mierlo

tegen

G. Leistra en
de hoofdredacteur en plaatsvervangend hoofdredacteur van Elsevier

Bij brief van 29 april 1998 met 8 bijlagen heeft mr. J.L. de Wijkerslooth, advocaat te Den Haag, namens mr. H.A.F.M.O. van Mierlo in persoon en in zijn hoedanigheid van Minister van Buitenlandse Zaken (klager) een klacht ingediend tegen journalist drs. G. Leistra en tegen de hoofdredacteur en de plaatsvervangend hoofdredacteur van Elsevier (betrokkenen).
Hierop heeft mr. A.P. Meijboom, advocaat te Amsterdam, gereageerd in een brief van 23 september 1998 met 8 bijlagen. Bij brief van 7 september 1998 heeft mr. De Wijkerslooth nog een stuk overgelegd.

Na ontvangst van de klacht heeft de vice-voorzitter van de Raad op verzoek van mr. De Wijkerslooth een poging tot bemiddeling gedaan. De bemiddeling is niet geslaagd, zodat de klacht in behandeling is genomen.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 12 november 1998, in aanwezigheid van de heren Van Mierlo en Leistra en hun advocaten.

DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten.

In Elsevier van 21 maart 1998 is een artikel gepubliceerd van de hand van Leistra met de kop '"Surigate"' en de subkop 'Zet Desi Bouterse minister Hans van Mierlo met een compromitterend schaduwdossier onder druk? En moest Docters van Leeuwen daarom weg?'. Het artikel bevat de volgende voor de klacht relevante passages:

'Heeft minister Hans van Mierlo (D66) van Buitenlandse Zaken er belang bij dat de vervolging van Desi Bouterse wordt stopgezet? Is de ware reden voor het ontslag van procureur-generaal Arthur Docters van Leeuwen diens voortvarende aanpak van de zaak-Bouterse? Deze suggestieve vragen circuleren in Den Haag nu de aanhouding van Bouterse op zich laat wachten.
Door te schermen met een schaduwdossier dat voor Van Mierlo hoogst compromitterend zou zijn, hoopt Bouterse zijn Nederlandse tegenspelers steeds meer onder druk te zetten. Eén van de beweringen zou zijn dat Van Mierlo eind 1982 via een geheime missie op de hoogte was van de plannen van Bouterse om vermeende opposanten van het regime uit de weg te ruimen. De missie faalde en Van Mierlo slaagde er niet in de Decembermoorden te voorkomen.
Het schaduwdossier is een subtiele mengeling van feiten en verzinsels. Door op het juiste moment details openbaar te maken, kan Bouterse proberen twijfel te zaaien in het Nederlandse kamp. Die voortdurende dreiging boven zijn hoofd zou de aarzelende opstelling van Van Mierlo in de zaak-Bouterse kunnen verklaren

Het lijkt erop dat Van Mierlo probeert koste wat kost te voorkomen dat Bouterse wordt opgepakt. Uiteraard heeft Buitenlandse Zaken andere belangen dan het Openbaar Ministerie, maar geruchten in Den Haag willen dat Van Mierlo vreest dat de waarheid boven tafel komt over de geheime missie van vlak voor de Decembermoorden.

Waarom moest Docters van Leeuwen weg? Was hij door zijn eventuele kennis, ook als voormalig BVD-chef, over de relatie tussen Van Mierlo en het duo Bouterse-Alibux een te groot gevaar voor D66, en daarmee voor het hele paarse kabinet geworden?'

Leistra zocht voorafgaand aan de publicatie van zijn artikel geen contact met Van Mierlo. Een concept-vervolgartikel werd op verzoek van Van Mierlo wel op 7 april 1998 voor commentaar aan hem voorgelegd. Aan zijn verzoek om de verwijzing naar het eerstgenoemde artikel weg te nemen en een rectificatie op te nemen gaf Elsevier geen gevolg. Aan Van Mierlo werd aangeboden om middels een ingezonden stuk te reageren op de gewraakte passages. Met dit aanbod nam Van Mierlo geen genoegen. Het vervolgartikel werd op 11 april 1998 gepubliceerd. Het bevat de volgende relevante passage:

'Hans van Mierlo is woedend over het verhaal in Elsevier. Hij ontkent voorkennis te hebben gehad van de zogeheten December-moorden in 1982 en gevoelig te zijn voor chantage met een schaduwdossier. Zijn gedragslijn in de zaak Bouterse heeft daar niets mee te maken, aldus de minister.
Maar zijn beantwoording van de vragen over 'Surigate' door de CDA-kamerleden Maxime Verhagen en Alis Koekkoek is volgens betrokkenen niet alleen onvolledig, maar op een aantal punten zelfs onjuist.'

In een hoofdredactioneel commentaar in het nummer van 25 april 1998 werd uitgelegd dat de hoofdredactie niet op het verzoek tot rectificatie van Van Mierlo was ingegaan, omdat niet valt te ontkennen dat in Den Haag geruchten over het schaduwdossier van Bouterse circuleren.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Volgens klager bevatten de gewraakte passages in de publicatie van 21 maart 1998 de onjuiste, grievende en infamerende suggestie dat:
a. hij voorkennis had van plannen van Bouterse om vermeende opposanten van het regime uit de weg te ruimen;
b. hij uit dien hoofde gevoelig is voor chantage van Bouterse en
c. deze ontvankelijkheid voor chantage mede bepalend zou zijn voor zijn gedragslijn in het dossier Bouterse.

Als grondslag voor de aantijgingen wordt verwezen naar 'geruchten in Den Haag' en naar mysterieuze en weinigzeggende bronnen die niet meer bevestigen dan het bestaan van de geruchten. Klager vindt dat hij in persoon en in functie op buitengewoon ernstige wijze wordt beschuldigd. Dergelijke beschuldigingen zouden door een journalist niet publiekelijk mogen worden herhaald zonder dat blijkt dat zij zijn gebaseerd op een aantoonbaar en door relevante feiten geschraagd redelijk vermoeden van juistheid. Dat de geruchten op plausibiliteit zijn getoetst bij hoge Nederlandse functionarissen is geen feitelijk argument maar een autoriteitsargument, dat niet kan worden weerlegd. De kop 'Surigate' impliceert volgens klager dat de denkbaarheden op termijn werkelijkheden zullen blijken te zijn en dat sprake is van het welbewust verhullen van ernstige incriminerende feiten.
Het feitelijk substraat van de beschuldigingen is zo beperkt, dat zij lastig gemotiveerd kunnen worden ontkend. Klager stelt zich niet bewust te zijn van de beweerde geheime missie. Nergens wordt duidelijk gemaakt wat voor informatie het 'compromitterend schaduwdossier', dat volgens Leistra een 'subtiele mengeling van feiten en verzinsels' is, nu eigenlijk bevat. Leistra kent de inhoud van dit dossier zelf niet.
Ter weerlegging van de beschuldigingen met betrekking tot de verijdeling van de arrestatie van Bouterse verwijst klager naar het plenair kamerdebat en de antwoorden op kamervragen over deze kwestie.
De toonzetting van het artikel is in de ogen van klager uiterst rellerig en zijn publieke en private integriteit wordt door het slijk gehaald. Hij acht het relevant dat het hier niet gaat om een polemische column, maar om een inhoudelijk en niet als opiniërend bedoeld stuk.
Daarnaast maakt klager bewaar tegen het feit dat Leistra de in het artikel weergegeven veronderstellingen niet vóór publicatie voor commentaar of een reactie aan hem heeft voorgelegd. Gegeven de aard en de ernst van de beschuldigingen had hoor en wederhoor moeten plaatsvinden.

Betrokkenen stellen dat het hun recht en journalistieke plicht is om de zaak Bouterse en de rol die klager daarin speelde te onderzoeken en daarover te publiceren.
Het artikel stelt een aantal vragen en verklaart waarom die vragen gesteld worden. De interpretaties zoals door klager aan de tekst gegeven, zijn door hem zelf verspreid en door de media overgenomen. Er staat volgens betrokkenen uitdrukkelijk niet in het stuk dat klager uit hoofde van zijn voorkennis van plannen van Bouterse om vermeende opposanten van het regime uit de weg te ruimen gevoelig is voor chantage, en dat dit feit zijn opstelling in de zaak Bouterse zou verklaren. Het ging om het schaduwdossier dat een voortdurende dreiging boven het hoofd van klager zou kunnen zijn die zijn optreden in de zaak-Bouterse zou kunnen verklaren. Het artikel gaat derhalve niet uit van klagers chanteerbaarheid. Er staat bovendien niet in het stuk dat klager op de hoogte was van het voornemen van de concrete moorden, noch dat hij wist van een precieze datum. Het stelt daarentegen dat hij op de hoogte was van plannen van het regime Bouterse om vermeende opposanten van het regime uit de weg te ruimen. Verschillende door Leistra geraadpleegde bronnen bevestigen dat klager op de hoogte was van het feit dat in de loop van 1982 dodenlijsten circuleerden. De vermelding dat klager vergeefs geprobeerd heeft de moorden te voorkomen, kan niet grievend zijn.
Betrokkenen menen dat vanwege het feit dat klager ten tijde van de publicaties Minister van Buitenlandse Zaken was aan hen een grotere vrijheid toekomt om hun ideeën en bevindingen te publiceren en verwijzen daartoe naar de uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens van 8 juli 1986 (NJ 1987,901 Lingens/Oostenrijk). De pers heeft immers een controlerende functie in een democratische samenleving ten aanzien van de politiek.
Klager stelt volgens betrokkene dat de beweringen grotendeels 'aantoonbaar onjuist' zijn, maar kan dit niet aannemelijk maken.
Betrokkenen erkennen het eerst gepubliceerde artikel niet aan klager te hebben voorgelegd, maar menen dat zij dat niet verplicht waren. Leistra heeft bij van elkaar onafhankelijke bronnen bevestiging gezocht van alle beweringen in het artikel. Voor zover bepaalde zaken niet met stelligheid konden worden bewezen, is daarvan melding gemaakt. In het artikel van 11 april 1998, dat wel aan klager werd voorgelegd, is diens reactie opgenomen. Betrokkenen hebben op 25 juli 1998 nog een artikel over de kwestie gepubliceerd met de kop 'Suriname, mon amour', dat eveneens vooraf voor commentaar aan klager is toegezonden.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De Raad ziet zich gesteld voor de vraag of in het artikel van 21 maart 1998 op ontoelaatbare wijze beschuldigingen zijn geuit of suggesties zijn gedaan ten aanzien van klager en of er sprake is van schending van het beginsel van hoor en wederhoor.

Ten aanzien van het eerste deel van de klacht kan worden vastgesteld dat het stuk voornamelijk is gebaseerd op informatie uit het geruchtencircuit. Het artikel is opgebouwd uit vragen en vermoedens, waarmee het beeld wordt geconstrueerd dat er met klager, in het bijzonder met zijn rol in de zaak-Bouterse, iets mis is.
De Raad is in het algemeen van oordeel dat de pers binnen onze democratische samenleving een bijzondere, controlerende rol heeft in relatie tot het functioneren van politici. Daarbij past het signaleren en onderzoeken van bestaande geruchten. Bovendien is de Raad van mening dat journalisten niet gehouden zijn hun bronnen te openbaren. Dit brengt evenwel mee dat een journalist, in het kader van bijvoorbeeld een klachtprocedure als de onderhavige, ook zonder openbaring van de identiteit van de door hem gebruikte bronnen, aannemelijk zal hebben te maken dat de door hem gepubliceerde informatie in voldoende mate wordt gedragen door de door hem gebruikte bronnen. Daarbij zullen van belang zijn onder meer de aard van de informatie, de hoedanigheid en redenen van wetenschap van de gebruikte bronnen en de na verificatie gebleken consistentie van de door de bronnen gegeven informatie.
In verband hiermee merkt de Raad ten aanzien van geruchten op dat het publiceren van hardnekkige, in bredere kring circulerende geruchten op zichzelf van belang kan zijn zonder dat hoeft vast te staan dat het gerucht op waarheid berust. Wel zal het gerucht in kwestie voldoende concrete feiten moeten betreffen. Ten aanzien van bij geruchte circulerende verdachtmakingen van op het eerste gezicht onvoldoende feitelijke aard en consistentie rust op de journalist in elk geval de plicht die aard en consistentie nader te onderzoeken alvorens tot publicatie over te gaan.

In het onderhavige geval heeft de betrokken journalist niet volstaan met het vermelden van door hem vernomen geruchten maar heeft hij een verhaal geschreven waarin de indruk wordt gewekt dat klager chantabel is, vanwege een overigens niet door de gewraakte artikelen aangegeven, laat staan verhelderde rol die klager zou hebben vervuld in een poging de zogenaamde Decembermoorden te verhinderen. De gepubliceerde artikelen geven zelf geen, laat staan een aannemelijke verklaring voor de in de gewraakte artikelen gesuggereerde vatbaarheid van klager voor chantage van de zijde van Desi Bouterse. De enige denkbare verklaring die uit de aan de Raad ter beschikking gestelde stukken en bij de mondelinge behandeling naar voren is gekomen, is te vinden in een gedeelte van het concept van een van de artikelen en berust op de mededeling van slechts één bron. Klaarblijkelijk is die mededeling al door betrokkenen zo weinig betrouwbaar bevonden dat van publicatie van dat gedeelte is afgezien. Ook voor het overige is bij de behandeling niet aannemelijk geworden dat de hoofdlijnen van het artikel en met name de voor klager schadelijke suggesties worden gedragen door voldoende informatie en bronnen.

Het is bovendien onverklaard gebleven waarom betrokkenen ten aanzien van het eerste gepubliceerde artikel, van 21 maart 1998, geen wederhoor hebben toegepast. Nu het gaat om zeer ernstige beschuldigingen, die de persoonlijke en politieke integriteit van klager konden aantasten, hadden betrokkenen alvorens tot publicatie over te gaan, die zeker voor commentaar aan klager behoren voor te leggen.
Het feit dat betrokkenen de geruchten bij verschillende, in hun ogen betrouwbare bronnen hebben gecontroleerd, betekent niet dat het beginsel van hoor en wederhoor niet hoeft te worden toegepast.

BESLISSING

De Raad acht de klacht op beide onderdelen gegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in Elsevier te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 18 december 1998 door mr. W.D.H. Asser, voorzitter, mr. A.J. Heerma van Voss, mw. mr. V. Keur, W.F. de Pagter en J.M.P.J. Verstegen, leden, in tegenwoordigheid van mr. I.H.J. Konings, secretaris.

Uitspraak 1998-47