1998/46

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

C.S. van Wingerden

tegen

A. Mandemaker en de hoofdredacteur van het Eindhovens Dagblad

Bij brief van 19 september 1998 met 7 bijlagen heeft de heer C.S. van Wingerden te Eindhoven (klager) een klacht ingediend tegen journalist A. Mandemaker en de hoofdredacteur van het Eindhovens Dagblad (betrokkenen).
Hierop is door de heer Mandemaker en de heer C. van Houtert (hoofdredacteur), gereageerd in een brief van 15 oktober 1998. Vervolgens hebben klager op 17 oktober en betrokkenen op 4 november 1998 schriftelijk op elkaars standpunten gereageerd.
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 12 november 1998. Partijen hebben te kennen gegeven geen behoefte te hebben aan een mondelinge toelichting op hun standpunten.

DE FEITEN

Op grond van de stukken gaat de Raad uit van de volgende feiten.

Op het voorblad van de zaterdageditie van het Eindhovens Dagblad verscheen op 5 september jl. een artikel met de kop 'Rijk vordert 60 mille van oud-AOV'ers'. De intro van het stuk luidt als volgt:
De oud-AOV'ers Martin Batenburg (senator) en Liesbeth Aiking en Cees van Wingerden (ex-Kamerleden) moeten het ministerie van Binnenlandse Zaken voor 16 september ruim 60.000 gulden terugbetalen. De ingeschakelde landsadvocaat stelt de drie AOV'ers en enkele andere oud-bestuursleden persoonlijk aansprakelijk voor misbruik van overheidsgeld via een AOV-stichting.
In het artikel staat verder dat het genoemde bedrag achtergehouden zou zijn en dat klager de aangeslagen AOV'ers heeft voorgesteld om ieder een deel van de claim te betalen.
Aanleiding voor het artikel vormt een brief die de landsadvocaat op 31 augustus 1998 aan de bestuurders van de Stichting AOV Midden- en Oost Europa heeft verzonden. Blijkens de inhoud van deze brief worden de bestuurders aansprakelijk gesteld voor onrechtmatig handelen, omdat zij het voorschot op de subsidie van 1995 hebben aangesproken, zonder reserveringen te maken voor terugbetaling en wetende dat de Stichting wegens insolventie niet aan een terugvordering zou kunnen voldoen.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Volgens klager bevat het artikel feitelijke onjuistheden, die voor hem grievend en beschadigend zijn. Klager is nog steeds AOV-lid. Niet alleen de drie genoemde bestuursleden, doch alle acht bestuursleden van de Stichting AOV Midden- en Oost Europa hebben een gelijkluidende brief van de landsadvocaat ontvangen. In die brief wordt nergens gerept van 'misbruik van overheidsgeld', 'achterhouden' van geld en het niet aan het opgegeven doel besteden daarvan. De woordvoerder van Binnenlandse Zaken, met wie de heer Mandemaker hierover gesproken zou hebben, heeft schriftelijk bevestigd dergelijke woorden niet te hebben gebruikt. Klager ontkent de medebestuursleden te hebben geadviseerd om een deel van de claim te betalen. Hij heeft de hoofdredacteur in een brief van zijn bezwaren op de hoogte gesteld.

Betrokkenen noemen als bron voor de berichtgeving een tip, een bevestiging van Binnenlandse Zaken en toelichtingen van klager en anderen. De woordvoerder van Binnenlandse Zaken zou gesproken hebben van 'geld dat niet voor het aangegeven doel besteed was of zelfs helemaal niet besteed', hetgeen door betrokkenen is vertaald als 'misbruik van overheidsgeld' en 'achterhouden van overheidsgeld'. Betrokkenen vinden deze termen niet onjuist en grievend. Zij hebben klager in antwoord op zijn brief gevraagd welke fouten in de publicatie hersteld zouden moeten worden en hem verzocht gegevens te verstrekken waaruit de onjuistheid zou blijken. Daar heeft klager niet op gereageerd.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De klacht is in hoofdzaak gericht tegen het gebruik van de termen 'misbruik van' en 'achterhouden van' overheidsgeld.
De brief van de landsadvocaat bevat een sommatie aan het adres van (onder andere) klager, die impliceert dat het gevorderde bedrag niet zonder meer door de Stichting AOV Midden- en Oost Europa werd terugbetaald aan de Staat. Dat rechtvaardigt wellicht gebruik van de term 'achterhouden' maar niet van 'misbruik' van overheidsgeld. De laatstgenoemde uitdrukking suggereert dat er sprake is van fraude met overheidsgeld. Daarvan is in dit geval niet gebleken.
Voor het overige bevat het artikel enkele onvolkomenheden, maar die zijn niet van dien aard dat daarmee de berichtgeving in zijn totaliteit niet deugt.

BESLISSING

De Raad acht de klacht gegrond voor zover die betrekking heeft op het onjuiste gebruik van de term 'misbruik van overheidsgeld' en voor het overige ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in het Eindhovens Dagblad te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 17 december 1998 door mr. W.D.H. Asser, voorzitter, mr. A.J. Heerma van Voss, mw. mr. V. Keur en W.F. de Pagter, leden, in tegenwoordigheid van mr. I.H.J. Konings, secretaris.

Uitspraak 1998-46