1998/43 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

W. Oltmans

tegen

R. de Wit

Bij brief van 6 juli 1998 met 1 bijlage heeft de heer W. Oltmans te Amsterdam (klager) een klacht ingediend tegen journalist R. de Wit (betrokkene).
Hierop heeft betrokkene gereageerd in brieven van 14 juli en 23 juli 1998. Klager heeft daar commentaar op gegeven in een brief van 20 juli 1998, waarop betrokkene heeft gereageerd met een brief van 26 juli 1998. Klager heeft nogmaals een reactie gestuurd, gedateerd 6 oktober 1998.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 12 november 1998, in aanwezigheid van partijen.

DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten.

In het vakblad voor journalisten De Journalist, nummer 13 van dit jaar, is een ingezonden stuk van betrokkene gepubliceerd, waarin hij zijn ergernis uit over de aandacht die klager in de media ten deel valt. Hij schrijft dat klager een aantal keren zijn pad kruiste in het buitenland: "eerst als vazal en spreekbuis van Desi Bouterse en laten als self-proclaimed bemiddelaar in de zaak-Klaas de Jonge. Volgens betrokkene "wierp 'vriend' Oltmans zich op als his masters voice" van Desi Bouterse.
Betrokkene vervolgt: "In Zuid-Afrika verbleef Oltmans enige tijd op kosten van het apartheidsregime en liet vervolgens een spoor van niet-betaalde rekeningen na, zoals ik van dezelfde diplomaten en veiligheidspolitie toentertijd hoorde, die hij nu als getuigen heeft opgevoerd. En dat allemaal omdat hij die domme ultrarechtse rakkers in de toenmalige Zuid-Afrikaanse ambassade in Den Haag had doen laten geloven, dat hij wel even de affaire-Klaas de Jonge zou oplossen."
Het stuk eindigt met de opmerking dat als klager voor een goede pensioenvoorziening gezorgd zou hebben, hij nu niet als een Don Quichotte achter koninklijke getuigenissen aan had hoeven lopen.
Betrokkene ondertekent met: Ruud de Wit, chef redacteur Limburgs Dagblad en voormalig GPD-correspondent in Suriname en Zuid-Afrika.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Volgens klager bevat het stuk een reeks lasterlijke ongefundeerde beschuldigingen over hem. Hij ontkent een spreekbuis of vazal van Bouterse te zijn geweest danwel zich als 'his masters voice' van Bouterse te hebben opgeworpen. Eveneens ontkent hij dat hij ooit op kosten van het apartheidsregime in Zuid-Afrika heeft verbleven en daar een spoor van onbetaalde rekeningen heeft nagelaten. Hij stelt nooit een self-proclaimed bemiddelaar in de zaak-Klaas de Jonge te zijn geweest en vraagt zich af wie hij in de ambassade van Zuid-Afrika heeft doen geloven dat hij die zaak zou oplossen.

Betrokkene voert primair aan dat de Raad niet bevoegd is over de klacht te oordelen, nu die betrekking heeft op een ingezonden brief, hetgeen naar de mening van betrokkene geen journalistieke gedraging is. De brief was een expressie van persoonlijke ergernis over de publiciteitszucht van klager. Als betrokkene van plan was geweest daar een artikel over te schrijven had dat er anders uitgezien en was het in een andere context geplaatst. Ook zou hij dan hoor en wederhoor toegepast hebben.

Met betrekking tot de klacht over de termen 'vazal', 'spreekbuis' en 'his masters voice' verwijst betrokkene naar diverse passages in het boekje 'Desi Bouterse' van de hand van klager, dat hij als weinig kritisch en opvallend pro-Bouterse beoordeelt. Ook haalt hij uitlatingen van klager aan, die deze in gesprekken met betrokkene zou hebben gebezigd.
Voor zijn opmerkingen over klager's verblijf en activiteiten in Zuid-Afrika putte betrokkene uit eigen ervaringen en informatie die hij destijds door een collega-journalist van de Zuid-Afrikaanse krant The Citizen over klager ontving. Betrokkene was in de betreffende periode, 1986/1987, correspondent in Zuid-Afrika.

ONTVANKELIJKHEID

De gewraakte brief van betrokkene is geen reactie op een bepaalde publicatie in De Journalist. Betrokkene geeft in de brief zijn persoonlijke opinie over het optreden van een collega. Hij heeft zijn brief ondertekend met vermelding van zijn huidige en eerdere journalistieke functies en ter publicatie aangeboden aan het vakblad voor journalisten. Dit alles in aanmerking nemend is de Raad van oordeel dat de klacht betrekking heeft op een journalistieke gedraging, zodat de Raad bevoegd is daarover een oordeel te geven.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Betrokkene geeft in zijn ingezonden brief een zuiver persoonlijke mening over klager, Die mening is voornamelijk gebaseerd op eigen ervaringen, die klager uitgebreid heeft toegelicht. Journalisten mogen in beginsel, als iedereen, hun persoonlijke mening uiten. De persoonlijke mening en de wijze waarop daaraan uiting is gegeven is in het onderhavige geval, mede gelet op de door betrokkene in het kader van de onderhavige klachtprocedure gegeven toelichting, niet van dien aard, dat betrokkene met zijn uiting de grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING

De Raad acht de klacht ongegrond.

Deze beslissing zal integraal in De Journalist worden gepubliceerd.

Aldus vastgesteld door de Raad op 17 december 1998 door mr. W.D.H. Asser, voorzitter, mr. A.J. Heerma van Voss, Mw. mr. V. Keur, W.F. de Pagter en J.M.P.J. Verstegen, leden, in tegenwoordigheid van mr. I.H.J. Konings, secretaris.

Uitspraak 1998-43