1998/42 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

W.M.P.J. Coenen-Saes

tegen

W. Loop en de hoofdredacteur van Dagblad De Limburger

Bij klaagschrift van 20 augustus 1998 met vijf bijlagen heeft W.M.P.J. Coenen-Saes (klaagster) een klacht ingediend tegen W. Loop en de hoofdredacteur van Dagblad De Limburger (betrokkenen). In een brief van 10 september 1998 heeft G. Kessels, adjunct-hoofdredacteur van Dagblad de Limburger namens de hoofdredacteur op de klacht gereageerd. Als bijlage bij deze brief is tevens een reactie van W. Loop gevoegd. Klaagster heeft in een brief van 30 september 1998 de klacht nader toegelicht.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 15 oktober 1998. Klaagster noch betrokkenen zijn op de zitting verschenen.

DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten.

Klaagster is per 1 september 1997 als peuterleidster voor bepaalde tijd in dienst getreden van M.A.G. Schelberg, h.o.d.n. "kinderdagverblijf Beerengoed". Tussen het kinderdagverblijf en klaagster bestond verschil van mening over de duur van het dienstverband. Toen het kinderdagverblijf zich per 31 december 1997 op het standpunt stelde dat de arbeidsovereenkomst was geëindigd, heeft klaagster de nietigheid van het ontslag ingeroepen en een loonvordering ingesteld. Het kinderdagverblijf heeft daarop een voorwaardelijk verzoekschrift tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst ingediend, welk verzoek op 13 mei 1998 mondeling is behandeld door de kantonrechter te Heerlen. De door het kinderdagverblijf aan het verzoekschrift ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden zijn door klaagster betwist.

In Dagblad De Limburger is op 14 mei 1998 een artikel van de hand van Loop gepubliceerd, waarin verslag wordt gedaan van het geschil tussen Beerengoed en klaagster, zij het dat de naam van klaagster niet is genoemd. In het artikel wordt gesteld dat een medewerkster van Beerengoed haar baan heeft verloren als gevolg van een voorval, bestaande uit het tien minuten lang zonder toezicht op een commode alleen laten van een kind van zes maanden oud. Ook suggereert het artikel dat het initiatief om naar de rechter te stappen, van het kinderdagverblijf afkomstig was en dat de betreffende medewerkster naar aanleiding van het voorval onmiddellijk haar werk had moeten neerleggen. Klaagster heeft op dit artikel niet gereageerd omdat zij voornemens was een eigen kinderdagverblijf te beginnen en omdat zij in het artikel niet met name genoemd werd.
De kantonrechter heeft bij beschikking van 27 mei 1998 overwogen dat de feitelijkheden die aan het verzoekschrift ten grondslag lagen, in het kader van de betreffende procedure niet middels diepgravend bewijs konden worden vastgesteld, maar dat de arbeidsverhouding verstoord was geraakt en derhalve beëindiging van de arbeidsovereenkomst in de rede lag. De kantonrechter heeft daarbij overwogen dat niet gebleken was dat het bestaan van de gewichtige reden voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst in overwegende mate aan een der partijen, in het bijzonder niet aan klaagster, kon worden toegerekend.

Op 8 juli 1998 heeft klaagster een advertentie geplaatst in de plaatselijke informatiekrant Landgraaf Aktueel omtrent het voornemen vanaf 31 augustus 1998 een kinderdagverblijf te beginnen in Landgraaf. Op 14 juli 1998 heeft Loop telefonisch contact met klaagster opgenomen en haar in de gelegenheid gesteld commentaar te geven op een voorgenomen publicatie. Daags daarop, op 15 juli 1998 verscheen een artikel van de hand van Loop in Dagblad De Limburger. Daarin is onder meer vermeld:
"De in mei jongstleden ontslagen kinderleidster W. Coenen-Saes opent volgende maand een eigen kinderdagverblijf in Landgraaf. Tot grote ontzetting van enkele ouders die hun kindje eerder aan de zorg van de vrouw toevertrouwden. Coenen (24) werd eind vorig jaar bij het Heerlense kinderdagverblijf Beerengoed op staande voet ontslagen nadat ze een baby van zes maanden op een commode tussen de vijf en tien minuten zonder toezicht had laten liggen".
Voorts is in de publicatie gesuggereerd dat klaagster niet over de benodigde vergunningen voor een kinderdagverblijf zou beschikken en dat klaagster ten onrechte in haar advertenties de titel sociaal pedagoge voert.

Op 22 juli 1998 verscheen in Dagblad De Limburger een derde artikel over klaagster, die wederom bij name genoemd werd en met opnieuw de vermelding dat zij op staande voet was ontslagen wegens het baby-incident. In dit artikel is tevens vermeld dat de opening van het nieuwe kinderdagverblijf onzeker was geworden, nu de verhuurder van het pand dermate geschrokken was van de vorige publicatie over klaagster, dat een deel van de bouwwerkzaamheden aan het pand voorlopig waren stopgezet.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klaagster stelt zich op het standpunt dat de door betrokkenen gepubliceerde artikelen op diverse onderdelen feitelijk onjuist zijn, terwijl Loop bij de zitting aanwezig was geweest en bovendien in diverse telefoongesprekken door klaagster erop was gewezen hoe de situatie wél was. Zij acht zich door de publicaties in een dermate onjuist daglicht geplaatst dat zij daardoor schade lijdt of zal lijden. Het handelen van betrokkenen is volgens klaagster in strijd met de journalistieke en maatschappelijke zorgvuldigheid, temeer daar het publiceren van deze artikelen geen publiek belang meer dient.

Betrokkenen erkennen dat klaagster op enkele punten gelijk heeft, bijvoorbeeld dat juridisch gezien geen sprake is geweest van ontslag op staande voet en dat in eerste instantie niet Beerengoed, maar klaagster naar de rechter is gestapt. Dit zijn punten die zij wel zouden hebben gerectificeerd indien klaagster daarom zou hebben gevraagd, hetgeen volgens betrokkenen niet het geval is geweest. Klaagster is in het tweede en derde artikel met naam en toenaam genoemd, omdat zij geadverteerd heeft voor het door haar te openen kinderdagverblijf en dit tot verontruste reacties van ouders heeft geleid, aldus betrokkenen. Betrokkenen menen dat, hoewel het in de rechtszaak niet tot een diepgaand feitenonderzoek is gekomen, klaagster een omstreden persoon is geworden. Betrokkenen stellen dat met de publicaties een publiek belang is gediend en dat zorgvuldig met de informatie is omgegaan.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Betrokkenen hebben herhaaldelijk feitelijke onjuistheden gepubliceerd. Uit de beschikking van de kantonrechter blijkt immers dat noch van ontslag op staande voet sprake is geweest, noch van ontslag op grond van het vermeende "baby-incident". Beide zijn in de artikelen ten onrechte als vaststaand feit gepresenteerd, terwijl Loop - die de zitting van de kantonrechter had bijgewoond en na het eerste artikel op de hoogte was van de hier van belang zijnde onderdelen van diens beschikking - wist dat dit niet het geval was. Deze herhaalde onjuistheden zijn opmerkelijk. Voorzover klaagster een omstreden persoon zou zijn, valt dan ook niet uit te sluiten dat betrokkenen daaraan door hun onjuiste berichtgeving in belangrijke mate hebben bijgedragen.

Gegeven deze beoordeling van de meest essentiële punten uit de klacht, zal de Raad niet afzonderlijk ingaan op punten van ondergeschikt belang zoals de vraag of klaagster al dan niet de juiste titel voert.

De Raad acht het begrijpelijk dat klaagster op het eerste artikel niet heeft gereageerd, nu zij daarin - anders dan in de twee volgende artikelen - niet herkenbaar is en niet met name is genoemd. Aangezien klaagster voorafgaand aan de tweede publicatie in een telefoongesprek met Loop daartegen gemotiveerd bezwaar heeft gemaakt en betrokkenen desondanks tot publicatie zijn overgegaan, is niet onbegrijpelijk dat klaagster niet heeft gevraagd om rectificatie van de artikelen maar zich, na publicatie van het derde artikel, tot de Raad heeft gewend.

Gelet op het voorgaande meent de Raad dat betrokkenen de grenzen hebben overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING

De Raad acht de klacht gegrond.

De Raad verzoekt betrokkene aan deze uitspraak aandacht te besteden in Dagblad De Limburger.

Aldus vastgesteld door de Raad op 30 november 1998, door mr. J.B. Fleers, voorzitter, W.H.K. Ammerlaan, mr. B.A. Schmitz, mevrouw drs. M.W.M. Vos-van Gortel en K. Wiese, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.R. Creutzberg, secretaris.

Uitspraak 1998-42