1998/41 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

de stichting Woonwagenwerk Zuidelijk Zuid-Limburg

tegen

de hoofdredacteur van Dagblad De Telegraaf

Bij klaagschrift van 23 juli 1998 met één bijlage heeft de stichting Woonwagenwerk Zuidelijk Zuid-Limburg, namens de bewoners van het regionale woonwagencentrum De Vinkenslag in Maastricht (klaagster) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van Dagblad De Telegraaf (betrokkene). Bij brief van 18 augustus 1998 heeft mr. J. Olde Kalter, hoofdredacteur van betrokkene, op de klacht gereageerd. Klaagster heeft bij brief van 14 oktober 1998 met twee bijlagen de klacht nader toegelicht.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 15 oktober 1998. Namens klaagster zijn verschenen D. Wildschut en A. Kaaisteker. Betrokkene is niet verschenen.

DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten.

Klaagster is een stichting die de belangen behartigt van de woonwagen- en zigeunerpopulatie in de regio zuidelijk Zuid-Limburg en in het bijzonder van woonwagencentrum De Vinkenslag in Maastricht. Mede door haar inzet is bij De Vinkenslag een reguliere handel in schadeauto's opgezet, ten gevolge waarvan de beeldvorming omtrent de bewoners van De Vinkenslag langzaam maar zeker in positieve zin is bijgesteld.

Op 20 juli 1998 is in De Telegraaf een artikel gepubliceerd over de moordzaak in Hilvarenbeek, waarbij een relatie is gelegd tussen deze moordpartij en het woonwagenmilieu. In de kop van het artikel, op de voorpagina, is vermeld: "Moordpartij lijkt afrekening woonwagenmilieu". Op pagina 6 is in het vervolg van het artikel, na de vermelding dat twee van de dodelijke slachtoffers afkomstig waren uit Maastricht, geschreven: "De politie gaat ervan uit dat de Limburgers, afkomstig uit het woonwagenmilieu, slachtoffer van een criminele afrekening zijn geworden".

Klaagster heeft telefonisch contact opgenomen met De Telegraaf teneinde rectificatie van deze passages te vragen, echter zonder resultaat. Van een ingezonden brief heeft zij afgezien.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klaagster stelt dat de twee slachtoffers niet tot de woonwagenpopulatie behoorden, zodat de berichtgeving onjuist is. Deze berichtgeving versterkt ten onrechte het negatieve beeld dat de samenleving van deze bevolkingsgroep heeft. De Telegraaf heeft naar de mening van klaagster onjuist gehandeld.

Betrokkene heeft gesteld dat uit onderzoek van een van haar verslaggevers is gebleken dat een van de twee Maastrichtse slachtoffers op een woonwagencentrum in Maastricht heeft gewoond. Dit is niet De Vinkenslag en dat wordt in het artikel ook niet beweerd, aldus betrokkene. Voorts stelt betrokkene dat uit het onderzoek is gebleken dat de beide Maastrichtse slachtoffers nauwe contacten onderhielden met woonwagenbewoners, waarmee zij de term "woonwagenmilieu" verklaart.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Met de term "woonwagenmilieu" wordt een bredere groep bestreken dan alleen die personen die daadwerkelijk in woonwagens wonen. Of de beide slachtoffers al dan niet in een van de woonwagenkampen in Maastricht of omgeving woonden, is hier derhalve niet doorslaggevend. In de publicatie wordt geen rechtstreekse relatie met De Vinkenslag gelegd en in de kop wordt door het gebruik van het woord "lijkt" een slag om de arm gehouden. Feit is dat aanvankelijk een woonwagenbewoner uit 's-Hertogenbosch als verdachte was aangehouden, zodat het gesuggereerde verband met de woonwagenwereld niet geheel uit het niets kwam. De Raad realiseert zich dat berichtgeving als deze voor woonwagenbewoners onaangenaam is, maar moet dit afwegen tegen het feit dat het hier begrijpelijkerwijs om haastige berichtgeving gaat, waarin het accent niet ligt op de mogelijke identiteit van de daders, maar geheel op de raadselachtige toedracht van het door hen begane zeer schokkende misdrijf. Daarbij legt ook enig gewicht in de schaal dat klaagster niet heeft getracht haar grieven tegen het artikel te verwoorden in een ingezonden brief aan De Telegraaf, hetgeen wel voor de hand had gelegen.

De Raad komt in zijn afweging tot het oordeel dat de gewraakte berichtgeving minder zorgvuldig is, maar gelet op de omstandigheden niet dusdanig onzorgvuldig dat de grenzen zijn overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING

De Raad acht de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene aan deze uitspraak aandacht te besteden in Dagblad De Telegraaf.

Aldus vastgesteld door de Raad op 30 november 1998, door mr. J.B. Fleers, voorzitter, W.H.K. Ammerlaan, mr. B.A. Schmitz, mevrouw drs. M.W.M. Vos-van Gortel en K. Wiese, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.R. Creutzberg, secretaris.

Uitspraak 1998-41