1998/4 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

R. Verwer

tegen

H. de Herdt en Hart van Nederland (SBS 6)

Bij brief van 31 augustus 1997 heeft de heer R. Verwer (klager) een klacht ingediend tegen de journalist H. de Herdt en het SBS 6-programma Hart van Nederland (betrokkenen). Hierop is door de heer J. Mentens, hoofdredacteur van Hart van Nederland gereageerd in een brief van 24 september 1997 met als bijlage een videoband.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 18 december 1997. Klager is niet verschenen. Namens betrokkenen verscheen de heer J. Mentens. Ter zitting is de videoband bekeken.

DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten.

Namens Bewonersvereniging Jongerenflat Amsterdam-Noord heeft klager zich in een brief van 24 juli 1997 tot betrokkenen gewend. In de brief werd geklaagd over ongedierte, geluidsoverlast, illegale bewoning en drugsoverlast in het wooncomplex. De verhuurder zou geen of onvoldoende aandacht aan dergelijke klachten besteden.

Betrokkenen hebben besloten een reportage over de kwestie te maken. Op 27 juli 1997 is een verslaggevingsploeg ter plaatse geweest. Een van de bewoners stelde tenminste één drugsdealer te kunnen aanwijzen. Betrokkenen hebben vervolgens de vermeende dealer voor de camera om commentaar gevraagd. Deze zei te weten dat er over hem werd gesproken, maar ontkende de aantijgingen en vroeg waarom de mensen niet gewoon met hem kwamen praten alvorens allerlei beschuldigingen te uiten. Daarmee geconfronteerd hebben de bewoners, waaronder klager, geweigerd hierop voor de camera te reageren.

Betrokkenen hebben vervolgens besloten van een reportage af te zien en zijn vertrokken.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat betrokkenen uitsluitend op sensatie uit waren, onder meer door "onder het mom van hoor en wederhoor" de bewoners en de vermeende dealer met elkaar te willen confronteren. Betrokkenen hadden moeten beseffen dat de bewoners dat te gevaarlijk vonden, aldus klager. Voorts stelt klager dat betrokkenen zich onbeleefd en intimiderend hebben gedragen door aan te dringen op hoor en wederhoor, te dreigen dat er anders geen reportage zou plaatsvinden en de bewoners te beschuldigen van discriminatie doordat zij niet in dialoog wilden treden met de vermeende dealer.

Betrokkenen stellen dat van tevoren duidelijke afspraken zijn gemaakt ten aanzien van de reportage, waarbij van sensatiezucht geen sprake is geweest. Toen de bewoners werden geconfronteerd met de antwoorden van de vermeende dealer en hen gevraagd werd daarop te reageren, waren zij verontwaardigd over de toepassing van hoor en wederhoor. De bewoners, waaronder klager, hadden andere verwachtingen en hebben zich vergist in de rol van de journalist, aldus betrokkenen. Gaandeweg de reportage kreeg verslaggever H. de Herdt het vermoeden dat sprake was van een racistisch vooroordeel ten aanzien van de vermeende dealer. Gelet op de gang van zaken hadden betrokkenen naar hun mening alle aanleiding de reportage te staken.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Met betrekking tot de klacht oordeelt de Raad als volgt.

Daargelaten de vraag of klager voldoende belang heeft bij de klacht nu de journalistieke gedragingen niet hebben geleid tot enige publicatie, is de Raad van oordeel dat klager de door hem gestelde feiten geenszins aannemelijk heeft gemaakt. Het getoonde beeldmateriaal vormt daarvan bepaald geen onderbouwing. De klacht dient om genoemde reden van de hand te worden gewezen.

BESLISSING

De Raad acht de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkenen aandacht aan deze beslissing te besteden in een uitzending van het programma Hart van Nederland.

Aldus vastgesteld door de Raad op 22 januari 1998, door Prof. mr W.D.H. Asser, voorzitter, mr B.A. Schmitz, K. Wiese en K.J. van der Zande, leden, in tegenwoordigheid van mr A.R. Creutzberg, secretaris.

Uitspraak 1998-4