1998/39 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

F.J. Kuenen

tegen

de redactie van het Utrechts Nieuwsblad

Bij klaagschrift van 4 juni 1998 met één bijlage heeft mr. J. Knap namens zijn cliënt F.J. Kuenen (klager) een klacht ingediend tegen de redactie van het Utrechts Nieuwsblad (betrokkene). Bij brief van 15 juni 1998 heeft R.H. van de Loo, adjunct-hoofdredacteur van betrokkene, op de klacht gereageerd.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 15 oktober 1998. Klager is verschenen tezamen met zijn gemachtigde mr. Knap. Namens betrokkene zijn verschenen R.H. van de Loo en J.F.J. Dankbaar.

DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten.

Op 8 april 1998 stond klager terecht voor de rechtbank te Utrecht op verdenking van een zedendelict. De advocaat van klager zag voorafgaand aan de zitting een journalist J.F.J. Dankbaar - in de zaal zitten en heeft hem meegedeeld dat hij behandeling met gesloten deuren zou vragen, onder meer in verband met het feit dat klager een nieuwe baan had gevonden bij een grote bankinstelling, die van het delict niet afwist. Dankbaar heeft daarop geantwoord zich op nieuwsgaring te richten en de gebruikelijke waarborgen ten aanzien van de identiteit van de verdachte te zullen hanteren. Bij zijn, ter openbare terechtzitting gegeven, toelichting op het verzoek om behandeling met gesloten deuren heeft de advocaat van klager in antwoord op een vraag van de rechtbank meegedeeld dat klager een nieuwe werkkring had gevonden bij Legal & General te Hilversum. De zaak is vervolgens behandeld met gesloten deuren.

Op donderdag 23 april 1998 is in het Utrechts Nieuwsblad een artikel gepubliceerd over de rechtszaak. Onder de kop "Voorwaardelijk voor ontucht met jongens" is beschreven dat de 41-jarige Zeistenaar die in 1990 ontucht pleegde met twee minderjarige jongens, door de rechtbank was veroordeeld tot zes maanden voorwaardelijk en 240 uur onbetaalde arbeid. In dit artikel is voorts vermeld dat de rechtbank was ingegaan op het verzoek van klager de zaak met gesloten deuren te behandelen. Daarover is het volgende geschreven:
"De verdachte had als argument aangevoerd dat hij net een nieuwe baan heeft in Hilversum bij een verzekeringsmaatschappij en nog in zijn proeftijd zit. Zijn nieuwe werkgever weet niets van zijn verleden. Voor de rechtbank was dat voldoende."

Op dinsdag 28 april 1998 is klager bij de afdeling Personeelszaken van zijn werkgever geroepen en - in de proeftijd - ontslagen.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager is van mening dat de publicatie hem herkenbaar heeft gemaakt voor zijn werkgever. Er is in Hilversum maar één verzekeringsmaatschappij. Zijn werkgever heeft hem in een persoonlijk gesprek meegedeeld dat het ontslag op de publicatie en de achterliggende feiten gebaseerd was, nadat op 24 en 25 april 1998 naar aanleiding van de publicatie telefoontjes waren binnengekomen met vragen en opmerkingen. Door de publicatie is derhalve het doel van de behandeling met gesloten deuren tenietgedaan, aldus klager. Met deze publicatie is naar zijn mening een grens overschreden van wat, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

Betrokkene stelt zich op het standpunt dat met de publicatie een publiek doel werd gediend voor de Zeister gemeenschap, omdat van belang was dat klager in een andere gemeente zou gaan werken. Betrokkene meent dat op grond van het artikel geen verband kan worden gelegd tussen klager en zijn nieuwe werkgever, omdat noch klager, noch Legal & General met name (en zelfs niet met initialen) zijn genoemd. Een verband tussen het artikel en de telefoontjes kan niet worden gelegd.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Betrokkene heeft in de publicatie onnodig veel gegevens over klager en zijn nieuwe werkgever vermeld. De elementen "Hilversum", "verzekeringsmaatschappij", "proeftijd" en "41-jarige Zeistenaar" tezamen maakten klager eenvoudig herkenbaar; ook voor zijn werkgever, zoals is gebleken. Betrokkene had, zonder afbreuk te doen aan de boodschap van zijn artikel en het belang van de Zeister gemeenschap, dat hij zegt daarbij op het oog te hebben gehad, kunnen volstaan met aanzienlijk minder verstrekkende details, zoals bijvoorbeeld "elders in het land" in plaats van "Hilversum". Het feit dat de rechtbank besloot de zaak te behandelen met gesloten deuren had bovendien voor betrokkene wat de herkenbaarheid van de verdachte betreft aanleiding behoren te zijn voor extra voorzichtigheid, opdat niet door zijn toedoen het doel van de besloten behandeling werd gefrustreerd.

Naar het oordeel van de Raad heeft betrokkene de grenzen overschreden van wat, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING

De Raad acht de klacht gegrond.

De Raad verzoekt betrokkene aan deze uitspraak aandacht te besteden in het Utrechts Nieuwsblad.

Aldus vastgesteld door de Raad op 30 november 1998, door mr. J.B. Fleers, voorzitter, W.K.H. Ammerlaan, mr. B.A. Schmitz, mevrouw drs. M.W.M. Vos-van Gortel en K. Wiese, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.R. Creutzberg, secretaris.

Uitspraak 1998-39