1998/37

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

C.J. Straver en F. Wafelbakker

tegen

redactie van het televisieprogramma NOVA

Bij brief van 21 juli 1998 hebben dr. mr. C.J. Straver te Amsterdam en drs. F. Wafelbakker te Den Haag (klagers) een klacht ingediend tegen de redactie van het televisieprogramma NOVA (betrokkenen).
Hierop is door G. Dielessen, hoofdredacteur van NOVA, gereageerd in een brief van 3 september 1998. Klagers hebben bij brief van 1 oktober 1998 een bijlage gestuurd en betrokkenen hebben een video-opname van de gewraakte uitzending aan de Raad doen toekomen.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 16 oktober 1998. Klagers waren daarbij aanwezig. Betrokkenen hadden laten weten verhinderd te zijn.

DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten.

Het televisieprogramma NOVA besteedde in de uitzendingen van 30 juni en 1 juli 1998 aandacht aan de 'Initiatiefgroep Beoordeling Seksmedia'. Deze groep bepleitte zelfregulering in de (porno)videobranche, bijvoorbeeld door middel van het instellen van een keurmerk. Beide klagers maakten deel uit van deze Initiatiefgroep. Wafelbakker is arts en seksuoloog. Straver is jurist en seksuoloog.
In de uitzending zijn onder meer beeldopnamen vertoond van een bijeenkomst van de groep, die plaatsvond in het gebouw van het Midden- en Klein Bedrijf in Delft. De opnamen zijn deels van buiten het gebouw, door de ramen heen gemaakt zonder dat de deelnemers daarvan op de hoogte waren. Ook zijn de deelnemers bij het verlaten van het gebouw gefilmd. Beide klagers zijn herkenbaar in beeld gebracht.
In het commentaar bij de beelden wordt gezegd dat de groep in het diepste geheim bijeenkwam en dat men beslag had weten te leggen op vertrouwelijke notulen. Betrokkenen belichten in het programma alle deelnemers aan de groep, waarbij wordt vermeld dat ook personen die in het verleden direct betrokken waren bij de productie en/of distributie van kinderporno, daartoe behoren.
Klagers hebben naar aanleiding van de uitzendingen in Kort Geding rectificatie en schadevergoeding van betrokkenen gevorderd. Overleg tussen partijen heeft ertoe geleid dat NOVA op 5 augustus 1998 een studiogesprek met klagers uitzond.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klagers stellen in hun goede naam en faam te zijn aangetast, door het sterk diffamerende karakter van de wijze waarop zij in de uitzending worden geportretteerd. Bovendien zou zijn nagelaten hoor en wederhoor toe te passen. Door breed uit te meten over de achtergronden van één deelnemer aan de groep, tegen wie een gerechtelijk vooronderzoek loopt wegens vermoede ontduiking van de wet, wordt in sterke mate de indruk gewekt dat de groep de wet op het gebied van leeftijdsgrenzen zou willen kunnen ontduiken. Ook wordt er volgens klagers een criminaliserende interpretatie gegeven aan aan bepaalde passages uit het verslag van de eerste bijeenkomst van de groep. Mede door de wijze waarop materiaal is vergaard en gepresenteerd, zou de indruk zijn gewekt dat het om een criminele organisatie gaat. Met uitzending van de buiten hun medeweten gemaakte en de zonder hun toestemming uitgezonden beelden is volgens klagers hun portretrecht geschonden.

Betrokkenen hebben van begin af aan de ontwikkelingen rond de Initiatiefgroep gevolgd. Er is onderzoek gedaan naar de achtergrond van de leden, waaruit bleek dat die, op één na, geen morele bezwaren hadden tegen tieners voor de camera, zolang ze er maar geen problemen mee kregen. Dat gold ook voor klagers, zoals blijkt uit uitlatingen van hen in diverse media, aldus betrokkenen. Betrokkenen hebben de voorzitter van de groep tijdig op de hoogte gesteld van de inhoud van de voorgenomen uitzending en hem om commentaar gevraagd, zodat het beginsel van hoor en wederhoor uitgebreid is toegepast.
De groep heeft zich als een maatschappelijk relevante organisatie aan de media gepresenteerd. Klagers hadden de kritische aandacht van de media dan ook kunnen verwachten. Beide klagers zijn in het verleden regelmatig in de publiciteit geweest, zodat zij een zekere mate van publiciteit hebben te dulden.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

In de uitzendingen van NOVA werd de Initiatiefgroep Beoordeling Seksmedia en de relatie van de leden van die groep met de (porno)videohandel kritisch belicht. Daarbij werden ook de beide klagers genoemd. In beginsel behoren journalisten er naar te streven om personen die in een publicatie of uitzending een rol spelen ook te horen. In het onderhavige geval was de rol van klagers in de twee uitzendingen echter zo gering, dat het niet nodig was om hen persoonlijk te horen.

De Raad heeft niet kunnen vaststellen dat er in de uitzending fragmenten zijn vertoond die diffamerend zijn ten aanzien van klagers, dan wel suggereren dat klagers deel uitmaakten van een criminele organisatie.
Klagers zijn in de uitzending van NOVA op 5 augustus 1998 overigens in de gelegenheid geweest de mogelijk minder juiste indruk die door de gewraakte uitzendingen van de Initiatiefgroep en van hen persoonlijk zou kunnen zijn ontstaan, te corrigeren.
De heimelijk van de bijeenkomst van de Initiatiefgroep gemaakte opnamen en de uitzending van die opnamen zonder dat klagers daarvan vooraf op de hoogte waren gesteld, kunnen de toets der kritiek echter niet doorstaan. Het feit dat betrokkenen de deelnemers aan de bijeenkomst niet met open vizier tegemoet zijn getreden, valt niet te rechtvaardigen. Er is immers geen sprake van een ernstige misstand of rechtsschending, dan wel van andere zwaarwichtige redenen van algemeen belang, die op geen andere wijze aan het licht zouden kunnen worden gebracht dan door middel van deze journalistieke werkwijze.

De Raad is van oordeel dat betrokkenen zodoende de grenzen hebben overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING

De Raad acht de klacht gegrond voorzover die betrekking heeft op het opnemen en uitzenden van beelden die zijn verkregen door gebruik te maken van verborgen, althans voor klagers niet zichtbaar opgestelde camera's, en voor het overige ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkenen aan deze beslissing aandacht te besteden in een uitzending van het programma NOVA.

Aldus vastgesteld door de Raad op 13 november 1998 door mr. W.D.H. Asser, voorzitter, H. van Gessel, M.J. Kes, mw. A.G. Scherphuis en mw. drs. M.W.M. Vos-Van Gortel, leden, in tegenwoordigheid van mr. I.H.J. Konings, secretaris.

Uitspraak 1998-37