1998/36 ongegrond

 

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

X

tegen

de redactie van het televisieprogramma Netwerk

Bij brief van 10 juni 1998 met 1 bijlage heeft mr R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, namens de heer X (klager) een klacht ingediend tegen de redactie van het televisieprogramma Netwerk (betrokkenen).
Hierop is door de redactie, bestaande uit M.P. Fröberg, M. Henneman, C. Labeur en R. van Til, gereageerd in een brief van 30 juni 1998, waarbij een video-opname van het desbetreffende programma was gevoegd.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 16 oktober 1998. Klager werd bijgestaan door mr. R.J. Baumgardt. Namens betrokkenen verschenen mr. B. Snijder en de heer M.P. Fröberg.

DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten.

In het televisieprogramma Netwerk werd op 20 en 21 april 1998 aandacht besteed aan de handel in kinderen in Nederland. Dit gebeurde aan de hand van een reconstructie van een zedenzaak die zich afspeelde in 1994/ 1995. Twee medewerkers van het programma, de heren Fröberg en Van Til, hebben ten behoeve van de uitzendingen onder meer gesprekken gevoerd met klager en zijn advocaat.
Klager dreef in die tijd een bordeel waar minderjarigen tegen betaling seks hadden met volwassenen. Hij wordt in de uitzending aangeduid als 'Henk S.'

In de reportage, uitgezonden op 20 april 1998, is gebruik gemaakt van telefoon-tapverslagen van gesprekken tussen klager en de moeder van een negenjarige jongen. De teksten zijn opnieuw ingesproken. In het hieraan voorafgaande commentaar wordt gezegd:
Niet altijd melden de kinderen zichzelf. Zo wordt in de Rotterdamse zaak een jongetje van negen gedwongen mee te gaan. Hij wordt naar de club van Henk S. in de kubuswoning gebracht.
Na de ingesproken tekst wordt het commentaar vervolgd:
Uit het dossier blijkt dat de moeder niet alleen haar zoontje van negen, maar ook zijn broertje van veertien naar de club laat gaan.
Dan volgt een fragment uit een proces-verbaal van een ooggetuige.

In de tweede uitzending, van 21 april 1998, wordt 'Henk S.' genoemd in relatie tot een escortbedrijf dat vanuit zijn woning wordt gedreven. Uit een proces-verbaal zou blijken dat hij vaak minderjarige jongens uit het Oostblok haalde. Uit een ander proces-verbaal wordt geciteerd:
Voorts zou een halfbroertje van H. regelmatig door Henk S. worden opgehaald, waarna er met hem (negen jaar) ontucht zou worden gepleegd.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Volgens klager wordt hij er in de uitzendingen ten onrechte van beschuldigd dat hij een negenjarig jongetje op escort heeft gestuurd. De moeder van deze jongen was huishoudelijke hulp bij klager. Het kind kwam dus wel bij hem over de vloer. Zijn veertienjarige broer was een persoonlijk vriendje van klager. Klager heeft wel veertienjarige jongens op escort gestuurd, maar geen kinderen van negen. De politie heeft destijds een onderzoek ingesteld naar de mogelijke escort met de negenjarige, maar de Officier van Justitie was van mening dat er onvoldoende redenen voor een verdenking aanwezig waren. Dit zou klager ook in de gesprekken met de heren Fröberg en Van Til hebben gemeld. Ook zou hij hen hebben gewezen op een uitspraak van de President van de Rechtbank te Amsterdam, waarin het tijdschrift Nieuwe Revu werd veroordeeld een artikel dat dezelfde beschuldiging bevatte te rectificeren. Betrokkenen hebben desondanks de beweerde escort in hun uitzending betrokken.

Betrokkenen benadrukken dat de uitzending heel zorgvuldig tot stand is gekomen. Er zijn vele bronnen en deskundigen geraadpleegd. Betrokkenen ontkennen in het ingelezen commentaar te hebben gesteld dat de negenjarige jongen op escort zou zijn gestuurd. Die suggestie gaat mogelijk uit van de telefoon-tapverslagen, maar is door betrokkenen niet overgenomen in het commentaar. Er is uitsluitend uit politiedossiers geciteerd, waarin gesproken wordt over misbruik van een negenjarig kind dat bij klager over de vloer kwam. Betrokkenen hebben contact gehad met de moeder en haar negen- en veertienjarige zonen. Zij bevestigden de inhoud van de processen-verbaal en de daaruit aangehaalde citaten. De moeder bevestigde ook dat het ingesproken telefoon-tapverslag betrekking had op haar negenjarige zoon.
In de uitzending zijn overigens geen beelden of foto's van klager getoond en hij is niet met zijn volledige naam aangeduid.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De Raad heeft een video-opname bekeken van de uitzendingen waarover wordt geklaagd.
De uitzendingen gingen niet in hoofdzaak over klager. In verhouding tot de totale duur van beide uitzendingen speelt het fragment dat op klager betrekking heeft slechts een ondergeschikte rol. Klager is niet in beeld gebracht, zijn stem is niet te horen en zijn volledige naam wordt niet genoemd.
Dat klager de negenjarige op escort heeft gestuurd wordt in beide uitzendingen niet gezegd. Het gewraakte fragment wekt wel de indruk dat klager ontucht heeft gepleegd dan wel heeft laten plegen met een negenjarige jongen. De Raad is echter van oordeel dat, nu vaststond dat klager een bordeel had waar volwassenen met minderjarigen seks hadden en dat hij minderjarigen op escort stuurde, de betrokken journalisten gerechtigd waren om aan het hun ter beschikking staande materiaal en andere bronnen aandacht te besteden op de wijze als in de uitzending te zien en te horen is. Daarbij is de grens van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid maatschappelijk aanvaardbaar is, niet overschreden.

BESLISSING

De Raad acht de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkenen aan deze beslissing aandacht te besteden in een uitzending van het programma Netwerk.

Aldus vastgesteld door de Raad op 13 november 1998 door mr. W.D.H. Asser, voorzitter, H. van Gessel, M.J. Kes, Mw. A.G. Scherphuis en mw. drs. M.W.M. Vos-Van Gortel, leden, in tegenwoordigheid van mr. I.H.J. Konings, secretaris.

Uitspraak 1998-36