1998/35 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

X

tegen

P.R. de Vries

Bij brief van 5 juni 1998, gevolgd door een bijlage verstuurd op 9 juli 1998 heeft mr J.Knap, advocaat te Amsterdam namens de heer X (klager) een klacht ingediend tegen Peter R. de Vries (betrokkene). Hierop is door betrokkene gereageerd in een brief van 17 augustus 1998 met 2 bijlagen.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 16 oktober 1998 in aanwezigheid van partijen. Klager werd bijgestaan door zijn advocaat.
De Raad heeft tijdens de zitting de bandopname van de uitzending bekeken.

DE FEITEN

Op grond van de stukken, het verhandelde ter zitting en de bandopname van het programma gaat de Raad uit van de volgende feiten.

Het programma 'Peter R. de Vries, misdaadverslaggever' wijdde op 13 januari 1998, 21 april 1998 en 5 mei 1998 reportages aan klagers strafrechtelijke verleden en activiteiten. Klager is herhaalde malen tot celstraf veroordeeld voor zedendelicten. Ook werd hij veroordeeld voor de vervaardiging van kinderporno en voor de moord op een 8-jarige jongen, circa dertig jaar geleden. De advocaat van klager heeft aan de uitzendingen van 13 januari 1998 en 21 april 1998 meegewerkt, door commentaar te geven op het verleden van klager en op de toen lopende strafzaak. Klager was verdachte in een zedenzaak en bevond zich op het moment van de uitzending van 13 januari in voorlopige hechtenis.

In de uitzending worden beelden getoond van de straat waar klager woont. Het straatnaambordje komt leesbaar in beeld. Verschillende woningen zijn te zien, waaronder het portiek waar klager woont. Zijn woning was ten tijde van de opname dichtgetimmerd omdat een buurtbewoner de ruiten had ingegooid. Voorts worden in de uitzending enkele getekende portretten van klager getoond, die ooit in dagbladen zijn gepubliceerd.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager heeft bezwaar tegen de indringende berichtgeving.
Zijn bezwaar spitst zich toe op het herkenbaar in beeld brengen van het portiek waar hij woont. Door combinatie met het straatnaambordje en de dichtgetimmerde ramen zou zijn woning voor eenieder herkenbaar zijn. De vertoning van de getekende portretten heeft die herkenbaarheid vergroot. Enige tijd later, kort na de uitzending van 5 mei 1998, bleek dat er in zijn woning was ingebroken. Klager acht het meer dan waarschijnlijk dat deze inbraak het gevolg is dan wel is ingegeven door de gewraakte beelden. De woning was in verband met de voortdurende detentie van klager onbeheerd.

Betrokkene wijst erop dat het in de media niet ongewoon is om in combinatie met bepaalde gebeurtenissen en/of politie-ingrijpen adressen of locaties te noemen. In het onderhavige geval vormde een inval van de recherche in de woning van de verdachte, waarbij een grote hoeveelheid kinderporno werd gevonden, onderwerp van de uitzending. Volgens betrokkene is er een straatbeeld uitgezonden, zonder dat daarbij is aangegeven om welke woning het ging of om welk huisnummer. De betreffende straat is een lange straat waar duizenden mensen wonen. In de buurt zijn vele panden dichtgetimmerd. Uit de uitgezonden beelden kan niemand, die niet toevallig reeds wist waar klager woonde, opmaken welke de woning van klager is. Betrokkene betwist dat er verband bestaat tussen de uitzending en de door klager genoemde inbraak. De exacte datum waarop die inbraak heeft plaatsgevonden kan niet worden vastgesteld. De woning is gedurende de detentie van klager enkele maanden onbeheerd gebleven.
Betrokkene heeft na de uitzending van 13 januari overigens niet vernomen dat klager c.q. zijn advocaat bezwaren had tegen de vertoonde beelden.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De klacht richt zich in het bijzonder tegen uitzending van beelden van de straat met straatnaambordje en de portiek waar klager woont. Naar het oordeel van de Raad leiden deze beelden, behalve wellicht bij buurtbewoners, niet tot herkenbaarheid van klager of van zijn exacte adres. Er wordt niet op nadrukkelijke wijze de aandacht gevestigd op de woning van klager. Klager gaf ter zitting desgevraagd te kennen dat de buurtbewoners al vóór de uitzending bekend waren met zijn strafrechtelijk verleden.
Klager heeft op geen enkele wijze aannemelijk kunnen maken dat de inbraak in zijn woning in verband stond met de gewraakte uitzending.

BESLISSING

De Raad acht de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene aan deze beslissing aandacht te besteden in een uitzending van zijn programma.

Aldus vastgesteld door de Raad op 13 november 1998 door mr. W.D.H. Asser, voorzitter, H. van Gessel, M.J. Kes. mw. A.G. Scherphuis en mw. drs. M.W.M. Vos-Van Gortel, leden, in tegenwoordigheid van mr. I.H.J. Konings, secretaris.

Uitspraak 1998-35