1998/32 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

R.M. Koster

tegen

W. Fréquin

Bij brief van 6 april 1998 met 1 bijlage en een videoband heeft mr H. Anker, advocaat te Leeuwarden, namens de heer R.M. Koster (klager) een klacht ingediend tegen W. Fréquin (betrokkene).
Hierop is door mevrouw H. Harmsen, uitvoerend producent, mede namens de heer Fréquin en mevrouw M. de le Haye, eindredacteur, gereageerd in een brief (ongedateerd) ontvangen op 8 juni 1998.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 17 september 1998, in aanwezigheid van partijen. Klager werd bijgestaan door advocaat mr J. Boksem en betrokkene door mr H. Bollen, hoofd Juridische Zaken HMG en mevrouw H. Harmsen.
Ter zitting werd een videoband bekeken van de uitzending waarop de klacht betrekking had.

DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten.

Klager is werkzaam als inspecteur in dienst van de Rijksrecherche. Uit dien hoofde is hij belast geweest met het onderzoek in de geruchtmakende zaak Lancee, met name met het verhoor van de aangeefster Bianca Lancee.
Op 19 maart 1998 werd klager gebeld door iemand die zich voorstelde als Van Dam, werkzaam bij het Utrechts Nieuwsblad. Hij verzocht de medewerking van klager aan een interview met de RPF/GPV fractie in de gemeenteraad van Kollum. Klager liet tijdens dat telefoongesprek blijken dat hij op zondag naar de kerk pleegt te gaan. Een ontmoeting met Van Dam bleef uit, omdat klager niets meer van hem vernam.
Op zondag 22 maart 1998 werd klager bij het verlaten van de kerk aangesproken door betrokkene, die in gezelschap was van een cameraploeg. Betrokkene stelde hem enkele vragen over de zaak Lancee. Klager weigerde die te beantwoorden. Betrokkene liep vragen stellend en opmerkingen makend met klager mee naar diens auto en ging daar tussen klager en het linker voorportier staan. Hij zei onder meer dat klager delen van het proces-verbaal van het verhoor had verzonnen, met name de passages waarin de heer Lancee van incest werd beschuldigd. Klager heeft nergens inhoudelijk op gereageerd.
De van deze ontmoeting gemaakte opnamen zijn uitgezonden in het televisie programma 'de Week van Willibrord' op 23 maart 1998. In de daarbij uitgesproken inleidende tekst werd gezegd dat klager verhalen over seksueel misbruik en wrede gewelddadigheden had verzonnen.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager is van mening dat betrokkene door zijn gedrag op zondag 22 maart jl. een ernstige inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer heeft gemaakt. Klager omschrijft dit gedrag als 'onbetamelijk, onbehoorlijk en onbeschoft'. Betrokkene belemmerde hem in zijn auto te stappen. Bovendien heeft betrokkene hem beledigd en in zijn eer en goede naam aangetast, door te zeggen dat hij het verhaal van de dochter van Lancee heeft verzonnen. Dit alles geschiedde in het bijzijn van anderen, onder wie de 10, 15 en 19 jaar oude dochters van klager.
Volgens klager heeft Bianca Lancee haar handtekening gezet onder een verklaring waarin staat dat alles dat op de bandopname van het verhoor staat juist is. Zijn rol bij de totstandkoming van het proces-verbaal is nog in onderzoek bij justitie.
Op een verzoek van klager's advocaat om uitzending van de beelden achterwege te laten is betrokkene niet ingegaan. Klager heeft bij de Hoofdofficier van Justitie te Leeuwarden aangifte gedaan van belediging en smaad.
Klager heeft overigens het vermoeden dat Van Dam, die enkele dagen voor de ontmoeting met betrokkene belde, onder valse voorwendselen contact met hem heeft gezocht.

Betrokkene kent geen Van Dam. Wel kent hij het volgens klager aan Van Dam toe-behorende telefoonnummer. Dat is van een oud-redacteur van zijn programma, D. Ram. Volgens betrokkene heeft klager niet geprotesteerd tegen de opname en de uitzending. Betrokkene beschikt over officiële stukken betreffende de zaak Lancee, zoals het door klager gemaakte onderzoeksconcept, het proces verbaal van het verhoor dat klager de dochter van Lancee afnam, het transcript van dit verhoor en het zogenaamde 'Rapport Keizer'. Deze stukken zijn ter zitting aan de Raad overgelegd. Uit de stukken zou blijken dat klager het proces verbaal heeft vervalst. Het proces verbaal is bovendien nooit door dochter Bianca ondertekend.
Met betrekking tot de journalistieke methode die is toegepast, merkt betrokkene op dat die confronterend is maar toelaatbaar, nu sprake is van een misstand die het Nederlandse publiek in hoge mate heeft geschokt.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Betrokkene heeft zich bediend van een "overvaltechniek" waarbij hij klager, die zich met zijn echtgenote en kinderen op de openbare weg bevond, met een draaiende camera tegemoet is getreden met vragen en opmerkingen betreffende zijn handelen als rijksrechercheur in een geruchtmakende en dramatische affaire. Voor het maken van opnamen en voor uitzending van de aldus verkregen beelden en geluid heeft hij klager geen toestemming gevraagd.

De wijze waarop betrokkene van deze techniek gebruik heeft gemaakt, is niet slechts confronterend zoals hij zelf meent, maar ook intimiderend: betrokkene volgt klager - die duidelijk te kennen geeft niet te willen antwoorden - op hinderlijke wijze met draaiende camera en stelt op beschuldigende wijze vragen. Daarbij gaat hij er kennelijk van uit dat klager geen andere mogelijkheid meer openstaat dan in het openbaar te erkennen dat de arrestatie van Lancee haar grond vindt in door klager valselijk opgemaakte stukken betreffende het verhoor van de aangeefster. De door betrokkene toegepaste werkwijze is, als uiterste middel, mogelijk journalistiek aanvaardbaar indien het erom gaat in het algemeen belang ernstige misstanden aan het licht te brengen, maar daarvan is hier geen sprake. Ook de door betrokkene ter zitting overgelegde stukken hebben de Raad daar niet van kunnen overtuigen.
Betrokkene heeft iedere poging om na te gaan of klager bereid zou zijn hem onder andere omstandigheden te woord te staan achterwege gelaten.
De uitzending leverde bovendien geen nieuwe feiten op, maar liet slechts zien hoe betrokkene klager in het nauw probeerde te drijven. Zoals vaststaat, was de in de ogen van betrokkene dubieuze rol van klager immers reeds voorwerp van uitvoerig justitieel onderzoek.

De Raad is op vorenstaande punten van oordeel dat in dit geval de grenzen zijn overschreden van hetgeen, gelet op de journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING

De Raad acht de klacht gegrond.

De Raad verzoekt betrokkenen aan deze beslissing aandacht te besteden in een uitzending van het programma 'De Week van Willibrord'.

Aldus vastgesteld door de Raad op 27 oktober 1998 door mr. J.B. Fleers, voorzitter, mr. G. Dullens, Mw. J.A. Koerts, W.F. de Pagter en J.M.P.J. Verstegen, leden, in tegenwoordigheid van mr. I.H.J. Konings, secretaris.

Uitspraak 1998-32