1998/31 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

Landelijk Bureau ter bestrijding van Rassendiscriminatie (LBR)

tegen

G.B.J. Hiltermann

Bij brief van 15 juni 1998 met 1 bijlage heeft mr N. Günes, juridisch beleidsmedewerker van het Landelijk Bureau ter bestrijding van Rassendiscriminatie te Utrecht (klaagster) een klacht ingediend tegen mr G.B.J. Hiltermann (betrokkene).
Hierop is door F.N.W.M. Maréchal, algemeen directeur van de Algemene Omroepvereniging AVRO gereageerd in een brief van 15 juli 1998.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 28 augustus 1998 buiten aanwezigheid van partijen.

DE FEITEN

Op grond van de stukken gaat de Raad uit van de volgende feiten.

Betrokkene heeft een wekelijkse column bij de AVRO-radio, genaamd 'De toestand in de wereld'.
In de uitzending van 3 juni 1998 heeft hij zich naar aanleiding van het huwelijk van prins Maurits en Marilène van den Broek onder meer uitgelaten over de aanwezigheid van etnische minderheden in de Nederlandse samenleving.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Volgens klaagster heeft betrokkene zich in de uitzending van 3 juni jl. kwetsend en beledigend uitgelaten over de in Nederland verblijvende etnische minderheden en zetten zijn uitspraken aan tot haat en rassendiscriminatie. Klaagster citeert enkele passages die dit illustreren. Betrokkene zou onder meer gezegd hebben:

We leven met niet langer allochtonen, maar met etnische minderheden in een multiraciale samenleving. Gelukkig is de term multiculturele samenleving uit de mode, want de minderheden voegen aan cultuur niets toe.

Turken, Marokkanen, Somaliërs, Surinamers en Antillianen, die in hun eigen land niet worden vervolgd, stromen ons land binnen en vormen etnische minderheden, omdat ze hier makkelijker aan de kost kunnen komen, zo ze al niet misbruik maken van de overmatige tolerantie waar ons land z.g. uitkeringen mee verstrekt. Wat welvaartsstaat wordt genoemd is dikwijls in hoge mate sjoemelstaat. Mij schijnt het toe, dat als die quasi-asielzoekers, in wezen profiteurs, zich niet in onze samenleving willen invoegen, maar zich als etnische profiteurs in hun eigen wereldje willen handhaven dat ze dat in hun eigen land moeten doen.

Dat is in ons kleine landje niet het geval en onze overheden laten ons doodrustig weten dat de stroom van Marokkanen stellig zal toenemen en burgemeester Patijn verklaart onbewogen dat Amsterdam binnenkort een meerderheid zal hebben van allochtonen zoals hij ze nog dorst te noemen. Ik vind dit nou niet bepaald een prettig vooruitzicht temeer omdat ik voorzie dat in het gereconstrueerde Europa de landen van de Europese Unie een onvoldoende ongecontroleerde bureaucratie grote zeggenschap geeft en dat de grote en rijke landen daar in feite de dienst gaan uitmaken. Als u nu ook nog de handhaving van hun eigen identiteit verwaarlozen dan blijft er van onze zelfstandigheid en onafhankelijkheid niet veel over.

Betrokkene heeft laten weten niet te zullen reageren op de klacht.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De gewraakte opmerkingen van betrokkene moeten worden beschouwd als zijn persoonlijke mening. Journalisten mogen, als iedereen, hun persoonlijke mening uiten en aldus deelnemen aan het publieke debat.
De omstandigheid dat de opmerkingen kwetsend of grievend zijn voor anderen brengt op zichzelf niet mee dat betrokkene journalistiek over de schreef is gegaan. Het publieke debat over onderwerpen als waarop die opmerkingen slaan mag immers robuust zijn, met inachtneming van de grenzen die de wet en in casu de journalistieke normen stellen. Nu er in het onderhavige geval geen sprake is van ophitsen of van oproepen tot rassen- of vreemdelingenhaat zijn die grenzen naar het oordeel van de Raad niet overschreden, wat er verder zij van de inhoud van de opmerkingen en van de vraag of zij van goede smaak getuigen.

BESLISSING

De Raad acht de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene aan deze beslissing aandacht te besteden in een uitzending van het programma 'De toestand in de wereld'.

Aldus vastgesteld door de Raad op 8 oktober 1998 door mr. W.D.H. Asser, H. van Gessel, prof. mr. E.C.M. Jurgens, K. Wiese en drs. K.J. van der Zande, leden, in tegenwoordigheid van mr. I.H.J. Konings, secretaris.

Uitspraak 1998-31