1998/30 gegrond

 

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

 

 

 

X

tegen

 

W. Fréquin/RTL

 

 

Bij brief van 9 april 1998 met 1 bijlage, gevolgd door brieven van 12 mei 1998 heeft mr. H. Anker, advocaat te Leeuwarden, namens de heer X (klager) een klacht ingediend tegen de heer W. Fréquin (betrokkene). Bij brief van 22 juni 1998 heeft mr. E.J. Kuiters, kantoorgenoot van mr. Anker, een aanvullende verklaring gegeven.
Mr. Th.W.M. de Mol, jurist bij Holland Media Groep (HMG), heeft op de klacht gereageerd in een brief van 22 juni 1998. Vervolgens heeft mr. Kuiters namens klager op 21 juli 1998 een reactie gestuurd, waarop door mr. De Mol bij brief van 25 augustus 1998 is gereageerd.
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 28 augustus 1998 buiten aanwezigheid van partijen.

 

 

 

 

DE FEITEN

Op grond van de stukken gaat de Raad uit van de volgende feiten.

 

Betrokkene presenteert het programma 'De week van Willibrord', dat tot medio dit jaar werd uitgezonden door RTL4.
De zoon van klager is één van de verdachten in de zaak 'Tjoelker'. Meindert Tjoelker overleed in september 1997 ten gevolge van zware mishandeling op straat. Op zijn dood is in het hele land geschokt gereageerd.
Naar aanleiding van een nieuw gerechtelijk vooronderzoek in deze zaak, heeft betrokkene op 4 april 1998 de zoon van klager in diens woonplaats op straat aangesproken. Klager's zoon heeft de vragen van betrokkene niet willen beantwoorden. Op de vraag of er een camera in de buurt was antwoordde betrokkene ontkennend. Thuis aangekomen is de zoon naar binnen gegaan en heeft de deur gesloten. Betrokkene heeft vervolgens aangebeld, waarop klager de deur opende. Klager heeft niet inhoudelijk op de vragen van betrokkene gereageerd en na enkele minuten het gesprek beëindigd.
Op 6 april 1998 bleek dat betrokkene toch opnamen had gemaakt van de ontmoeting met de zoon en het gesprek met klager. De gemaakte opnamen zijn die dag uitgezonden in het programma 'De week van Willibrord'.

 

 

 

 

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager heeft grote bezwaren tegen de werkwijze van betrokkene. Hij heeft van meet af aan alle media laten weten dat hij noch zijn zoon medewerking zou verlenen aan publiciteit over de zaak 'Tjoelker', mede uit respect voor de gevoelens van de familie Tjoelker. Begin januari van dit jaar had betrokkene al om een interview gevraagd. Via een advocaat is aan hem te kennen gegeven dat hieraan geen medewerking zou worden verleend.
De opnamen zijn met een verborgen camera gemaakt, hetgeen klager zeer kwalijk vindt. In de uitzending was het gezicht van klager's zoon voorzien van een zwart balkje. Ook een buurman werd in beeld gebracht, evenals klager's echtgenote die in de kamer bij het raam stond. Klager's gezin heeft van de uitzending mentaal te lijden gehad.

 

HMG erkent dat de gekozen aanpak van betrokkene niet juist is geweest. Het gebruik van een verborgen camera doet afbreuk aan het principe dat betrokkene de mensen die hij interviewt direct en open tegemoet treedt. De zoon van klager is niet herkenbaar in beeld gebracht. De redactie van het programma heeft besloten klager wel herkenbaar in beeld te brengen, omdat hij zelf niet verdacht werd, betrokkene zich had voorgesteld en klager's antwoorden niet belastend waren voor de zaak tegen zijn zoon.
HMG vindt dat betrokkene klager had moeten informeren over de opnamen, zodat hij in de gelegenheid zou zijn geweest aan te geven of hij al dan niet herkenbaar in beeld wenste te komen.

 

 

 

 

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Betrokkene heeft klager en diens zoon persoonlijk benaderd, hoewel hij wist dat zij geen prijs stelden op een interview. Hij heeft deze ontmoetingen opgenomen met een verborgen camera. De gemaakte opnamen zijn uitgezonden zonder klager daarvan vooraf op de hoogte te stellen. Daarmee is inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van klager en zijn gezin.
De Raad is van oordeel dat betrokkene aldus de grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.
Er is immers geen sprake van openbaarmaking van een ernstige misstand of rechtschending, dan wel van andere zwaarwichtige redenen van algemeen belang, die de journalistieke werkwijze van betrokkene zou kunnen rechtvaardigen.
HMG heeft zelf al aangegeven dat zij de gekozen aanpak betreurt. Het had HMG c.q. betrokkene gesierd indien zij ten minste excuses aan klager zouden hebben aangeboden.

 

 

 

BESLISSING

De Raad acht de klacht gegrond.

 

Aldus vastgesteld door de Raad op 22 september 1998 door mr. W.D.H. Asser, voorzitter, H. van Gessel, mr. E.C.M. Jurgens, K. Wiese en drs. K.J. van der Zande, leden, in tegenwoordigheid van mr. I.H.J. Konings, secretaris.

 

 

Uitspraak 1998-30