1998/3 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

M. Verkamman

tegen

J. Hoek en Brabants Nieuwsblad

Bij brief van 29 september 1997 met twee bijlagen heeft de heer M. Verkamman (klager) een klacht ingediend tegen de journalist J. Hoek en Brabants Nieuwsblad (betrokkenen). Hierop is door hoofdredacteur A. Rooms van Brabants Nieuwsblad gereageerd in een brief van 4 oktober 1997.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 18 december 1997. Klager is verschenen en heeft zijn klacht aan de hand van pleitnotities toegelicht. Betrokkenen zijn niet verschenen.

DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten.

Op 9 september 1997 is een verpleegkundige van verpleeghuis De Lindenburgh te Steenbergen aangehouden op verdenking van het toedienen van insuline aan een tweetal bewoners van genoemd verpleeghuis. De moeder van klager heeft tijdens haar verblijf in De Lindenburgh ernstig hersenletsel opgelopen. Er bestaan ernstige aanwijzingen dat zij een van de slachtoffers is van het handelen waarvan de verpleegkundige wordt verdacht.

Op diezelfde datum heeft in Steenbergen een persconferentie plaatsgevonden. Klager is daarbij aanwezig geweest en is na afloop met betrokkene meegereden naar Roosendaal. Hij heeft betrokkene tijdens de autorit voorzien van achtergrondinformatie met betrekking tot de insuline-kwestie. Daarbij heeft hij herhaaldelijk benadrukt dat betrokkene die informatie nog niet mocht gebruiken, maar in zijn hoofd moest opslaan voor toekomstig journalistiek onderzoek.

Daags daarna, op 10 september 1997, hebben betrokkenen een uitvoerig artikel over de kwestie gepubliceerd onder de kop "Zoons op persconferentie". Naar aanleiding daarvan heeft klager een ingezonden brief geschreven welke, onder weglating van twee alinea's, door betrokkenen is gepubliceerd op 12 september 1997.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat hij in de auto tot vier maal toe heeft benadrukt dat hij de achtergrondinformatie in vertrouwen verschafte en dat deze nog niet gebruikt mocht worden. Betrokkene heeft hem beloofd zich aan deze afspraak te houden, aldus klager. Het artikel "zoons op persconferentie", dat daags daarna is gepubliceerd, vormt naar de mening van klager een schending van de gemaakte afspraak en is daarnaast volgens klager op diverse punten feitelijk onjuist. Zo betwist klager dat hij ten aanzien van de verpleegkundige gezegd zou hebben "hem de kop van de romp te willen trekken".

Betrokkenen hebben zich op het standpunt gesteld dat klager weliswaar enkele mededelingen vertrouwelijk heeft gedaan, maar dat deze mededelingen niet zijn gebruikt in het artikel. In de publicatie zijn uitsluitend mededelingen verwerkt waarop het vertrouwelijk karakter niet van toepassing was, aldus betrokkenen. Ook betwisten betrokkenen dat het artikel feitelijke onjuistheden bevat. De passage over "de kop van de romp willen trekken" heeft klager volgens betrokkenen wel degelijk gebezigd. Voor zover er al van onjuistheden sprake zou zijn geweest heeft klager de gelegenheid gehad zijn standpunt kenbaar te maken door plaatsing van de ingezonden brief.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Met betrekking tot de klacht oordeelt de Raad als volgt.

Gelet op de inhoud van de stukken staat vast dat tijdens de autorit naar Roosendaal tussen klager en betrokkene over vertrouwelijkheid is gesproken. Het verweer dat slechts een deel van de gegeven informatie vertrouwelijk was en dat de informatie voor het overige wèl gebruikt mocht worden is op voorhand niet aannemelijk. Klager heeft dit ter zitting met klem betwist en heeft herhaald dat tot vier keer toe is afgesproken dat alle mededelingen vertrouwelijk werden gedaan.

Betrokkenen hebben de Raad te kennen gegeven geen behoefte te hebben aan het geven van een toelichting op hun standpunt ter zitting en zijn niet verschenen. Het genoemde verweer is dan ook niet nader geadstrueerd. Onder deze omstandigheden dient dit verweer te worden verworpen en gaat de Raad ervan uit dat klager alle mededelingen vertrouwelijk heeft gedaan. Door de publicatie van het artikel van 10 september 1997 hebben betrokkenen derhalve de afspraak omtrent de vertrouwelijkheid geschonden. Dit is in strijd met hetgeen naar maatschappelijke en journalistieke maatstaven toelaatbaar is. In zoverre is de klacht gegrond.

Voor het overige is de klacht ongegrond. Of de gewraakte publicatie feitelijke onjuistheden bevat kan de Raad, gelet op de standpunten over en weer, namelijk niet met voldoende zekerheid vaststellen. Overigens is klager op dit punt in de gelegenheid gesteld zijn standpunt weer te geven in een ingezonden brief. Dat uit de ingezonden brief twee alinea's zijn geschrapt vormt geen onderdeel van de klacht.

BESLISSING

De Raad acht de klacht gedeeltelijk gegrond.

De Raad verzoekt betrokkenen deze beslissing integraal dan wel in samenvatting te publiceren in Brabants Nieuwsblad.

Aldus vastgesteld door de Raad op 22 januari 1998, door Prof. mr W.D.H. Asser, voorzitter, mr B.A. Schmitz, K. Wiese en K.J. van der Zande, leden, in tegenwoordigheid van mr A.R. Creutzberg, secretaris.

Uitspraak 1998-3