1998/29 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

S.K.A. Brown

tegen

P.R. de Vries/HMG

Bij brief van 16 maart 1998 heeft de heer S.K.A. Brown te Eindhoven (klager) een klacht ingediend tegen misdaadverslaggever P.R. de Vries (betrokkene).
Hierop is door betrokkene gereageerd in een brief van 16 april 1998. Klager heeft op 4 mei 1998 een reactie gestuurd op het verweer.
Op 26 mei 1998 heeft klager opnieuw een klacht ingediend tegen betrokkene, waar door betrokkene bij brief van 19 juni 1998 is gereageerd.

Beide zaken zijn behandeld ter zitting van de Raad van 28 augustus 1998 buiten aanwezigheid van partijen.

DE FEITEN

Op grond van de stukken gaat de Raad uit van de volgende feiten.

De Raad heeft zich op 26 februari 1998 uitgesproken over een klacht van klager tegen betrokkene. Deze klacht betrof de inzet van verborgen camera's en de uitzending van de daarmee verkregen opnamen door betrokkene. De Raad achtte de klacht gegrond, aangezien er geen sprake was van zwaarwichtige redenen van algemeen belang die de handelwijze van betrokkene rechtvaardigden. Bovendien stond onvoldoende vast dat betrokkene voor zijn doel geen andere middelen tot zijn beschikking had.
Betrokkene heeft in zijn programma 'Peter R. de Vries, misdaadverslaggever', uitgezonden op 16 maart 1998, aandacht besteed aan bovengenoemde uitspraak van de Raad. Bij die gelegenheid zijn enkele van de gewraakte, met een verborgen camera opgenomen beelden wederom vertoond.
In zijn uitzending van 25 mei 1998, waarin werd teruggeblikt op de uitzendingen van het afgelopen seizoen, zijn de beelden nogmaals vertoond.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager heeft grote bezwaren tegen beide uitzendingen, waarin delen van de met een verborgen camera gemaakte opnamen nogmaals zijn vertoond. Hij beschouwt ook deze uitzendingen als een inbreuk op zijn privacy. De bij de beelden uitgesproken tekst is volgens klager lasterlijk jegens hem. Voor de uitzending van 25 mei 1998 acht klager ook drs. P. Porsius, president directeur van HMG, verantwoordelijk.

Betrokkene is van mening dat uitzending van de gewraakte beelden noodzakelijk was voor de weergave van de uitspraak van de Raad van 26 februari jl. Bovendien is er slechts een zeer beperkte samenvatting gemaakt en getoond van de eerdere uitzendingen.
De terugblik op het afgelopen seizoen besloeg in totaal 112 minuten. De fragmenten met betrekking tot klager duurden nog geen twee minuten. Uitzending van deze beelden was volgens betrokkene onvermijdelijk en journalistiek gezien noodzakelijk. De 'zaak Brown' heeft immers veel stof doen opwaaien en tot veel discussie geleid en kon daarom niet worden genegeerd.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

In beide uitzendingen waarover wordt geklaagd, zijn met een verborgen camera gemaakte beelden, waarover reeds eerder door klager werd geklaagd en welke klacht gegrond werd bevonden, opnieuw uitgezonden.

In de uitzending van 16 maart 1998 werd aandacht besteed aan de uitspraak van de Raad van 26 februari jl. De Raad is van oordeel dat uitzending van de gewraakte beelden achterwege had behoren te blijven. Een andersluidend oordeel zou slechts denkbaar zijn indien het voor een goed begrip van de uitspraak onvermijdelijk zou zijn geweest om juist die beelden te tonen, hetgeen betrokkene niet aannemelijk heeft gemaakt. In dit geval had de uitzending niet aan zeggenschap ingeboet wanneer geen beelden of andere beelden getoond waren. Over de bij de beelden uitgesproken tekst kan de Raad niet oordelen, omdat hij daarvan geen kennis heeft kunnen nemen.

De uitzending van 25 mei 1998 betrof een terugblik op het afgelopen seizoen. Hoewel de Raad zich kan voorstellen dat betrokkene in dit kader aandacht wilde besteden aan de geruchtmakende serie uitzendingen over klager, heeft betrokkene niet aannemelijk gemaakt dat er enige noodzaak bestond voor de vertoning van de met een verborgen camera gemaakte beelden.
De Raad kan slechts oordelen over journalistieke gedragingen, zodat de klacht voor zover gericht tegen de heer P. Porsius/HMG buiten beschouwing blijft.

BESLISSING

De Raad acht beide klachten gegrond.

De Raad verzoekt betrokkene aan deze beslissing integraal of in samenvatting en zonder het vertonen van de gewraakte beelden aandacht te besteden in zendtijd van zijn programma.

Aldus vastgesteld door de Raad op 22 september 1998 door mr. W.D.H. Asser, H. van Gessel, mr. E.C.M. Jurgens, K. Wiese en drs. K.J. van der Zande, leden, in tegenwoordigheid van mr. I.H.J. Konings, secretaris.

Uitspraak 1998-29