1998/25 ongegrond

 

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

 

R. Damsma

 

 

tegen

 

 

E. Nordholt (De Telegraaf)

 

 

 

 

Bij brief van 9 maart 1998 met 5 bijlagen heeft de heer R. Damsma te Zandvoort (klager) een klacht ingediend tegen journalist E. Nordholt/De Telegraaf (betrokkene).
Hierop is door betrokkene gereageerd in een brief van 31 maart 1998.

 

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 30 juni 1998, in aanwezigheid van partijen.

 

 

Naar aanleiding van de plotselinge ontstentenis van een der leden van de Raad, hebben partijen desgevraagd laten weten geen overwegende bezwaren te hebben tegen behandeling van de zaak door de voorzitter en drie leden.

 

 

 

 

DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten.

 

Op 27 mei 1997 verongelukte de vriendin van klager tijdens het rijden op haar paard, een in de paardensport succesvolle hengst. De oorzaak van het ongeval is nooit exact komen vast te staan.
De Telegraaf berichtte op 29 mei 1997 over het ongeval. In het bericht werd vermeld dat de vrouw door het paard in de hals was gebeten, hetgeen de voorlopige conclusie was van de politie na onderzoek ter plaatse. In het bericht werd de term 'horror-hengst' gebruikt.
Omstreeks een half jaar later bood klager de hengst te koop aan via een advertentie in het blad 'Bit'. De Telegraaf berichtte op 27 januari 1998 onder de kop 'Horror-hengst te koop' over de voorgenomen verkoop. Volgens het artikel zou het paard bij 'insiders in de hippische wereld' al jaren bekend staan als 'bijterig, nukkig en bij tijden agressief' en zou de politie na de dramatische gebeurtenissen erop hebben aangedrongen het dier te laten afmaken.

 

 

 

 

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager heeft bezwaar tegen het artikel van 27 januari 1998. Door het gebruik van de term 'horror-hengst' in de kop en door de bewering dat het paard de berijdster heeft doodgebeten heeft betrokkene schade aangericht. Betrokkene had zich nader dienen te informeren over de uitkomsten van het onderzoek naar de juiste toedracht van het ongeval. Klager wijst er op dat nooit is komen vast te staan dat het paard de berijdster heeft gebeten. Het paard had nooit eerder gebeten en heeft dat ook nadien niet gedaan. Klager acht het zeer waarschijnlijk dat het paard op hol sloeg en de berijdster in de beugel bleef hangen. De vele sporen die zijn gevonden zouden zijn lezing van de gebeurtenissen bevestigen. Het paard zou zeker zijn geslacht als de politie daarop had aangedrongen. Dit was echter niet aan de orde. De berichtgeving heeft de emoties bij de familie weer doen opleven. Bovendien is de waarde van de hengst door de publicatie drastisch gedaald. Het paard is volgens klager in feite onverkoopbaar geworden.

 

De advertentie waarmee klager in het blad 'Bit' de hengst te koop aanbood en daarop volgende telefoontjes van verontruste lezers vormden voor betrokkene aanleiding tot het schrijven van het onderhavige artikel. Hij heeft zich in zijn berichtgeving gebaseerd op uitspraken van de zijde van de politie, die de hengst verantwoordelijk achtte voor de dood van zijn berijdster. Betrokkene betwist dat de waarde van het paard is verminderd ten gevolge van zijn artikel. In het eerste artikel was de term 'horror-hengst' ook al gebruikt. Tegen dit artikel heeft klager geen bezwaar gemaakt. De waardevermindering heeft volgens betrokkene vooral te maken met het verschrikkelijke ongeval in 1997.

 

 

 

 

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De Raad vat de klacht op als in hoofdzaak te zijn gericht tegen de in het artikel beschreven toedracht van het ongeval. Klager heeft een andere visie op de gebeurtenissen, maar ook daarvan staat niet vast dat die juist is. Zoals klager zelf al aangeeft is de oorzaak van het ongeval immers nooit vast komen te staan.
Dat de door betrokkene in zijn artikel beschreven gang van zaken volstrekt onjuist is, staat dan ook evenmin vast. Hoewel dat geen nieuwe informatie had kunnen opleveren over de juiste toedracht van het ongeval was het verstandiger was geweest als betrokkene voorafgaand aan de tweede publicatie contact had gezocht met klager en de politie, om te horen of de doodsoorzaak inmiddels was opgehelderd.
De Raad acht het niet aannemelijk dat de waardevermindering van het paard is veroorzaakt door het gewraakte artikel. Naar aanleiding van het eerste artikel over het tragische ongeval waren de lezers al geattendeerd op de mogelijkheid dat het paard zijn berijdster had doodgebeten. Het tweede artikel heeft daar niet zoveel aan toegevoegd dat juist daarmee de waarde van de hengst tot nihil is gedaald.

 

 

 

BESLISSING

De Raad acht de klacht ongegrond.

 

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in De Telegraaf te publiceren.

 

 

Aldus vastgesteld door de Raad op 27 juli 1998 door mr. W.D.H. Asser, voorzitter, W.H.K. Ammerlaan, mr. G. Dullens en mw. A.G. Scherphuis, leden, in tegenwoordigheid van mr. I.H.J. Konings, secretaris.

 

 

Uitspraak 1998-25