1998/23 deels gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

F. Khaleghi Yazdi

tegen

L. van Grinsven en de hoofdredacteur van de Volkskrant

Bij brief van 31 oktober 1997 met 12 bijlagen heeft mr. G.J. Kemper, advocaat te Amsterdam, namens de heer F. Khaleghi Yazdi (klager) een klacht ingediend tegen L. van Grinsven, journalist en tegen de hoofdredacteur van de Volkskrant (betrokkenen).
Mr. W.C. van Manen, advocaat te Amsterdam, heeft hier namens betrokkenen op gereageerd in een brief van 30 januari 1998 met 7 bijlagen. Bij brief van 14 mei 1998 heeft mr. Kemper nog 4 bijlagen aan de Raad gezonden.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 28 mei 1998, in aanwezigheid van partijen en hun raadslieden. Beide partijen hebben pleitnotities overgelegd.

Naar aanleiding van de ontstentenis van een der leden van de Raad, hebben partijen desgevraagd laten weten geen bezwaren te hebben tegen behandeling van de zaak door de voorzitter en drie leden.

DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten.

Klager is grootaandeelhouder van de beursgenoteerde vennootschap Triple P N.V. Tot 1 september 1997 was hij tevens directeur van Triple P.
De Volkskrant publiceerde op 24, 25 en 28 juni 1997 artikelen over klager en Triple P. Daar is zijdens Triple P bij brief van 15 juli 1997 op gereageerd.
Op donderdag 4 september 1997, rond middernacht, heeft journalist Van Grinsven een concept voor een geschreven portret van klager naar klager gefaxt, onder mededeling dat eventueel commentaar hierop in het begin van de ochtend van 5 september gegeven zou moeten worden, in verband met plaatsing de volgende dag. Het verzoek van klager om plaatsing een week aan te houden werd door de chef van de economie-redactie gehonoreerd. Bij brief van 10 september heeft klager achttien zijns inziens feitelijke onjuistheden en onjuiste interpretaties vermeld. De brief bevatte tevens het verzoek van klager om uiterlijk vrijdagochtend 12 september te bevestigen dat het artikel niet in de concept-vorm zou worden gepubliceerd en dat een nieuw concept, waarin zijn commentaar zou zijn verwerkt, opnieuw aan hem zou worden voorgelegd. Omdat betrokkenen op dit verzoek niet reageerden heeft klager zijn eisen vervolgens voorgelegd aan de president in kort geding, die hem in het ongelijk stelde.
In de Volkskrant van zaterdag 13 september 1997 is het door betrokkenen op diverse punten aangepaste portret van klager gepubliceerd.

HET STANDPUNT VAN KLAGER

Klager heeft allereerst bezwaar tegen de wijze waarop hij door betrokkenen is bejegend. Hij acht het in strijd met de zorgvuldigheid die een journalist in het maatschappelijk verkeer betaamt om iemand die om commentaar is gevraagd en die vervolgens zelf een reactie vóór een zeker tijdstip vraagt, in het ongewisse te laten over wat het uiteindelijke standpunt van de journalist en de krant zal zijn. Betrokkenen hebben volgens klager het vertrouwen gewekt tot redelijk overleg over de uiteindelijke formulering bereid te zijn. Het in kort geding door betrokkenen gedane beroep op de grondwettelijke vrijheid van meningsuiting acht klager niet terecht, omdat hij die vrijheid met zijn verzoek niet aantastte. Er was bovendien al inzage gegeven in de eerste versie van het portret.

Klager heeft tevens ernstige bezwaren tegen de toonzetting van het artikel, waarin hij zegt te zijn afgeschilderd als een slechte manager en onaangenaam mens, iemand die mede-aandeelhouders bedriegt en bewust onjuiste informatie verstrekt. Op grond van een aantal feitelijke onjuistheden en onjuiste interpretaties wordt een volstrekt onnodig negatief beeld van hem geschetst en van de indertijd door hem geleide ondernemingen. Daarmee wordt schade toegebracht aan zijn integriteit en zakelijke belangen. Voor de vitale beweringen van feitelijke aard, die voor klager schadelijk zijn, wordt bovendien uitsluitend gebruik gemaakt van anoniem gehouden bronnen, zonder dat een en ander is geverifieerd, aldus klager.
In twee passages wordt klager ten onrechte van fraude beschuldigd. Deze beweringen zijn bovendien gebaseerd op anonieme bronnen. In een derde passage wordt gesuggereerd dat klager buitengewone baten, te weten de opbrengst uit bereikte schikkingen met leveranciers Sun en Match, boekte als winst uit de gewone bedrijfsvoering, waarmee een te gunstig beeld van die resultaten wordt voorgesteld. Klager wijst erop dat de accountant een goedkeurende verklaring voor de desbetreffende jaarrekening heeft gegeven. In een vierde passage wordt klager vergeleken met J. Kuijten van het bedrijf HCS, die in het artikel wordt aangeduid als 'iemand die zichzelf verrijkte door voor eigen rekening ondernemingen te kopen en die met winst door te verkopen aan (de beursgenoteerde vennootschap) HCS'. Klager ontkent dat er een transactie heeft plaatsgevonden zonder medeweten van mede-aandeelhouders, zodat elke vergelijking met Kuijten zonder feitelijke grondslag is. Tenslotte heeft klager bezwaar tegen een passage waarin wordt gezegd dat hij 'het veld moest ruimen op aandringen van de kredietverstrekkers', waarmee wordt gesuggereerd dat hij zijn verantwoordelijkheden als directeur niet alleen miskende maar zelfs negeerde. Hij wijst erop dat hij al een jaar eerder had besloten om zijn taken over te dragen, zonder dat daar door de kredietverstrekker druk op was uitgeoefend.

HET STANDPUNT VAN BETROKKENEN

Betrokkenen karakteriseren het gewraakte artikel als een kritisch portret. Zij zijn van mening dat niet van hen kan worden gevergd om steeds weer gelegenheid te bieden tot het geven van commentaar, overleg te voeren en het artikel bij te stellen totdat klager ermee akkoord gaat. Door het concept-artikel aan klager voor te leggen hebben betrokkenen zeer ruim wederhoor toegepast. Het kan niet zo zijn dat een krant, naarmate zij wederhoor ruimer toepast, minder aanspraak heeft op persvrijheid, aldus betrokkenen. Ook in het door klager aangespannen kort geding hebben betrokkenen op dit punt gelijk gekregen. Overigens hebben zij het artikel naar aanleiding van het commentaar van klager op negen plaatsen aangepast.

Voor het artikel zijn, naast de drie met name genoemde personen onder wie klager zelf, zes bronnen geraadpleegd die niet genoemd wilden worden. Van een viertal anonieme bronnen kwam bevestiging achteraf.
Met betrekking tot de passages die volgens klager onjuistheden dan wel onjuiste interpretaties bevatten merken betrokkenen het volgende op.
Klager beroept zich op de goedkeurende verklaring van de accountant, die zou bewijzen dat de voorraden en facturen correct in de boekhouding zijn verwerkt. Een accountant kan echter niet alles zien en is mede op steekproeven aangewezen. Volgens ingewijden gaven de cijfers van de Triple P-groep een te gunstig beeld. De opbrengst van rechtszaken behoort te worden geboekt en toegelicht als 'buitengewone baten', zo is vastgelegd in de Richtlijn 2.71.212 van de Raad voor de Jaarverslaggeving. Uit de overgelegde winst- en verliesrekening blijkt dat deze opbrengsten onder 'overige bedrijfsopbrengsten' zijn opgenomen, zonder vermelding of toelichting dat het om eenmalige opbrengsten gaat.
Volgens ex-medewerkers heeft klager, evenals de in het artikel genoemde zakenman Kuijten, persoonlijk bedrijven gekocht om die met winst te verkopen aan Triple P. Het in het artikel aangehaalde voorbeeld hiervan, het geval Salomons, wordt gevolgd door het commentaar van klager en de andere grootaandeelhouder van Triple P, de heer S. Nadjafi. In de tekst valt uitdrukkelijk te lezen dat klager niet te spreken was over de manier waarop Kuijten zichzelf verrijkte.
Tenslotte voeren betrokkenen aan dat het heel gebruikelijk is dat topmannen van bedrijven die het slecht gaat (mede) op aandrang van kredietverschaffers opstappen en dat vervolgens desondanks extern bericht wordt dat het vertrek op eigen verzoek plaatsvindt.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

1. De klacht heeft betrekking op de wijze waarop betrokkenen klager voorafgaand aan de plaatsing van het artikel hebben bejegend en op de zeer negatieve toonzetting van het artikel die in het bijzonder zou steunen op een aantal volgens klager onjuiste dan wel onjuist geïnterpreteerde feiten en op anonieme bronnen.

2. De Raad deelt niet de opvatting van klager dat een journalist die een artikel vooraf om commentaar ter inzage geeft aan degene op wie dat artikel betrekking heeft, desgevraagd vóór publicatie dient mee te delen of en zo ja op welke wijze dat commentaar in de uiteindelijke tekst is verwerkt. Noch het beginsel van hoor en wederhoor noch enige andere regel of journalistiek gebruik dwingt tot het aannemen van een dergelijke vergaande verplichting. Het eerste klachtonderdeel is ongegrond.

3. Het tweede onderdeel van de klacht betreft, zoals al gezegd, de toonzetting van het artikel, in het bijzonder de negatieve wijze waarop klager in een vijftal passages zou zijn geportretteerd.

4. Met uitzondering van de hieronder te bespreken passage waarin klager wordt vergeleken met Kuijten, heeft de Raad niet kunnen vaststellen dat de bedoelde passages relevante onjuistheden bevatten. In dat verband is onder meer van belang dat het telkenjare verkrijgen van een goedkeurende verklaring bij de jaarrekeningen van Triple P, waarop klager zich in het artikel en in zijn toelichting op de klacht beroept, niet uitsluit dat de in het artikel geciteerde uitlatingen over de wijze waarop in enkele gevallen - en dus niet zoals klager blijkbaar in het artikel leest: stelselmatig - kennelijk discutabele opwaardering van activa zou hebben plaatsgevonden, voldoende grond van waarheid hebben. Daarnaast moet worden opgemerkt dat de Raad klager niet kan volgen in diens lezing van de passage inzake het boeken van de opbrengst van de met Sun en Match getroffen schikkingen. Die passage behelst immers geenszins dat die opbrengst, een buitengewone bate, niet in de jaarrekening is verwerkt, maar wel dat zij daarin zonder nadere toelichting niet te achterhalen is. Zo'n toelichting ontbreekt in de jaarrekening. Naar het oordeel van de Raad is deze passage zonder meer in overeenstemming met de werkelijkheid.

5. Dat betrokkenen zich op ontoereikende bronnen hebben gebaseerd in de passages betreffende het terugtreden van klager als bestuurder van Triple P, het opwaarderen en het soms jegens de factormaatschappij tijdelijk fingeren van facturen kan evenmin worden gezegd. De Raad heeft geen reden eraan te twijfelen dat die passages, zoals betrokkenen hebben gesteld, telkens gebaseerd zijn op onafhankelijk van elkaar gedane mededelingen van tenminste twee (ex-)werknemers.

6. Gegrond is het tweede klachtonderdeel evenwel voorzover het betrekking heeft op de passage waarin klager in verband met het doorverkopen van bedrijven aan Triple P wordt vergeleken met Kuijten. Bij die vergelijking wordt bij de lezer kennelijk bekend verondersteld dat Kuijten althans in financiële kringen zeer omstreden was of is vanwege de doorverkoop van bepaalde bedrijven. In die gevallen ging het echter niet om doorverkoop aan een vennootschap waarvan, zoals destijds bij klager ten opzichte van Triple P, hij enig aandeelhouder was, maar aan een vennootschap (HCS) waarvan de aandelen aan de beurs waren genoteerd. Benadeling van mede-aandeelhouders zoals in het geval van Kuijten was, zoals betrokkenen hadden moeten en kunnen weten, in het geval van klager dus niet aan de orde. Door hem desondanks in dit verband op een lijn te stellen met Kuijten en hem aldus af te schilderen als een ondernemer die zich verrijkt ten koste van zijn mede-aandeelhouders, hebben betrokkenen jegens klager gehandeld in strijd met hun maatschappelijke verantwoordelijkheid. Hieraan kan niet afdoen dat eerder in het artikel wordt gesteld dat klager destijds niet te spreken was over de wijze waarop Kuijten zich verrijkte door middel van de doorverkopen aan HCS, het bedrijf dat klager in 1988 verliet.

BESLISSING

De Raad oordeelt het onder 6 besproken onderdeel van het tweede klachtonderdeel gegrond, en acht de klacht voor het overige ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in de Volkskrant te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 14 juli 1998 door mr. J.B. Fleers, voorzitter, mr. D.T. Dalmolen, Mw. J.A. Koerts en drs. K.J. van der Zande, leden, in tegenwoordigheid van mr. I.H.J. Konings, secretaris.

Uitspraak 1998-23