1998/22 deels gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

Th.J.M. Hendriks

tegen

A. Mandemaker

Bij brief van 9 maart 1998 met 2 bijlagen heeft Th.J.M. Hendriks te 's-Gravenhage (klager) een klacht ingediend tegen journalist A. Mandemaker (betrokkene).
Hierop is door betrokkene gereageerd in een brief van 6 april 1998.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 28 mei 1998, in aanwezigheid van partijen. Zoals bij die gelegenheid besproken heeft betrokkene nadien nog nadere informatie opgestuurd, vergezeld van 9 bijlagen.

DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten.

Betrokkene is de auteur van een geheel aan klager gewijd artikel dat op 25 februari 1998 en in de dagen daarna in verschillende edities van de VNU Dagbladengroep BV in Brabant, Gelderland en Limburg verscheen onder de kop 'Het eeuwige misverstand van Kamerlid Theo Hendriks'.
Na een inleiding waarin wordt beschreven hoe klager terechtkwam op de landelijke kandidatenlijst van het AOV voor de Tweede-Kamerverkiezingen van 1994, schrijft betrokkene over de periode waarin klager als stedenbouwkundige in dienst was van de gemeente Tilburg onder meer het volgende:
Daar stond de man bekend als notoir ruziezoeker, behept met een grenzeloze zelfoverschatting. "iemand die zich met hele en halve leugens op de been hield", aldus het Tilburgse PvdA-gemeenteraadslid J. Klink. Oud-hoofd J. Jongen van de dienst stadsontwikkeling had dezelfde ervaring met Hendriks. Hendriks werd als gemeente-ambtenaar op een zijspoor gezet, maar tot op de dag van vandaag houdt hij vol dat hij en niemand anders, verantwoordelijk is geweest voor de bouw van de Tilburgse nieuwbouwwijk De Blaak. In die mening staat hij alleen.
In het vervolg van het artikel laat betrokkene een aantal gebeurtenissen de revue passeren waarbij klager wordt neergezet als een Kamerlid dat van meet af aan in negatieve zin een opvallende, tot irritatie en vervolgens ook verontwaardiging bij collega-Kamerleden leidende, rol vervulde. Na te hebben vermeld dat klager in verband werd gebracht met neo-nazistische groeperingen, schrijft betrokkene:
Justitie deed, zeer uitzonderlijk, op verzoek van toenmalig Kamervoorzitter Deetman een onderzoek naar de antecedenten van Hendriks. Bewijzen voor neo-nazistische banden werden niet gevonden en het onderzoek liep dood.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager acht het gewraakte artikel smadelijk en onzorgvuldig. Hij geeft een opsomming van 25 in zijn ogen lasterlijke dan wel suggestieve opmerkingen en onjuistheden. Hij spreekt in dit verband van 'karaktermoord'. Met name de passage die verwijst naar nazisympathieƫn bij klager acht hij zeer smadelijk en onjuist. De heer Deetman heeft volgens klager nooit een onderzoek hiernaar in gang gezet, doch heeft daarentegen expliciet in een brief gesteld dat er met betrekking tot klager nooit van strafbare feiten is gebleken.
Klager heeft zijn functie bij de gemeente Tilburg tot zijn pensioendatum vervuld. De heren Jongen en Klink, die met hem in zijn vorige functie als stedenbouwkundige in Tilburg hebben samengewerkt, hebben volgens klager nooit met betrokkene gesproken. Zelf heeft hij evenmin ooit contact gehad met betrokkene.

Betrokkene laat weten dat het artikel en zijn harde oordeel over het functioneren van klager als volksvertegenwoordiger zijn gebaseerd op archiefmateriaal, eigen waarneming en korte achtergrondgesprekken met andere Kamerleden. Er is mede gebruik gemaakt van anonieme bronnen. De aan de heren Klink en Jongen toegeschreven uitspraken zijn afkomstig uit een in 1994 gepubliceerd interview in het Brabants Dagblad. Betrokkene geeft een puntsgewijze weerlegging van de klacht. Hij zou klager om een gesprek hebben gevraagd om het al langer geplande portret te completeren. Klager wilde pas na de gemeenteraadsverkiezingen daaraan meewerken. Betrokkene stelt dat het hem vrij staat op ieder gewenst moment een portret te schrijven van een publiek figuur als klager, zonder dat daarvoor toestemming is vereist.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Het gaat hier om een uiterst kritisch, zo niet vernietigend artikel over klager, en met name over diens (dis-)functioneren als lid van de Tweede Kamer. Klager wordt afgebeeld als iemand die in die hoedanigheid uitsluitend in (zeer) negatieve zin opviel, bij zijn collega's slechts irritatie en verontwaardiging wekte en daarom door hen werd gemeden: een volstrekte dwaas, maar naar zijn eigen oordeel briljant.

De klacht is ongegrond voorzover deze erop neerkomt dat betrokkene alvorens het artikel te publiceren klager in de gelegenheid had moeten stellen zich uit te laten over alle daarin met betrekking tot hem gestelde feiten. Een dergelijke eis kan niet worden gesteld als het gaat om feiten die, zoals hier met betrekking tot het hoofdbestanddeel van het artikel - opmerkelijke gedragingen en uitlatingen van klager als Kamerlid - kennelijk het geval is, berusten op eigen waarneming van de journalist of bronnen als de Handelingen van de Tweede Kamer. Ongegrond is ook de klacht die zich richt tegen de door betrokkene gegeven beschrijving van de wijze waarop de AOV-kandidatenlijst voor de Tweede-Kamerverkiezingen van 1994 werd samengesteld. Het enkele feit dat klager daarover een andere opvatting huldigt dan betrokkene behoefde deze niet ervan te weerhouden de betreffende gang van zaken te schetsen zoals hij gedaan heeft, al lijkt bijvoorbeeld het gebruik van de woorden 'in elkaar gedonderd' ter nadere bepaling van de haastige wijze waarop de kandidatenlijst werd samengesteld slechts bedoeld om de uiterst negatieve toon van het artikel te zetten.

Gegrond daarentegen is de klacht ten aanzien van de beide onder De Feiten aangehaalde passages betreffende onderscheidenlijk de tijd dat klager als stedenbouwkundige werkzaam was in Tilburg en het onderzoek dat het Openbaar Ministerie op verzoek van de toenmalige voorzitter van de Tweede Kamer zou hebben gedaan naar de antecedenten van klager. Zoals klager ter zitting desgevraagd heeft opgemerkt wegen deze beide passages voor hem in de klachtenprocedure het zwaarst.
De eerste passage berust, anders dan de tekst doet vermoeden, niet op gesprekken van betrokkene met de twee daarin genoemde personen, maar is zonder meer ontleend aan een enkele jaren geleden in het Brabants Dagblad verschenen artikel waarin beiden aan het woord komen. Betrokkene, die niet heeft betwist dat klager in tegenstelling tot hetgeen in bedoelde passage wordt beweerd in Tilburg nimmer als gemeente-ambtenaar op een zijspoor is gezet, had wat dit onderdeel betreft niet tot publicatie mogen overgaan alvorens te verifiƫren of de beide door hem genoemde personen juist geciteerd waren en alvorens klager in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over de bewering dat hij destijds in Tilburg op een zijspoor was gezet.
De tweede passage, waarin een met name voor een lid van de Tweede Kamer ernstige verdachtmaking ligt besloten in die zin dat de voorzitter van de Tweede Kamer kennelijk over zodanig belastende gegevens beschikte dat het Openbaar Ministerie zijn verzoek om een strafrechtelijk onderzoek naar neo-nazistische connecties van klager honoreerde, kan evenmin de toets der kritiek doorstaan. Betrokkene heeft ter zitting gesteld dat hij zich op dit punt baseerde op informatie van de zijde van de (afdeling voorlichting van de) Tweede Kamer. Blijkens door hem zelf overgelegde nadere gegevens hield die informatie echter wezenlijk iets anders in, te weten: dat de voorzitter een tweetal knipsels, voorzien van een begeleidende brief, ter informatie had doorgestuurd naar de Hoofdofficier. Deze heeft, naar blijkt uit een tot genoemde nadere gegegevens behorend ANP-bericht uit mei 1995, geen onderzoek ingesteld. De tweede passage bevat dus in twee opzichten een onware mededeling. Betrokkene, van wie hier gelet op de in die passage besloten liggende verdachtmaking bijzondere zorgvuldigheid had mogen worden verwacht, had dit destijds ook zelf op eenvoudige wijze kunnen vaststellen.

De slotsom ten aanzien van beide passages luidt dus dat betrokkene heeft gehandeld in strijd met zijn maatschappelijke verantwoordelijkheid als journalist.

BESLISSING

De Raad acht de klacht ten aanzien van de beide onder De Feiten aangehaalde passages gegrond en voor het overige ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in de VNU dagbladen te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 3 juli 1998, door mr. J.B. Fleers, voorzitter, mr. D.T. Dalmolen, mw. mr. V. Keur, mw. J.A. Koerts, drs. K.J. van der Zande, leden, in tegenwoordigheid van mr. I.H.J. Konings, secretaris.

Uitspraak 1998-22