1998/21 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

B. van Hout

tegen

B. Middelburg

Bij brief van 20 november 1997 met 1 bijlage, heeft de heer B. van Hout te Zandvoort (klager) een klacht ingediend tegen journalist B. Middelburg (betrokkene).
Hierop is door betrokkene gereageerd in een brief van 8 januari 1998 gevolgd door een brief van 20 februari 1998.
Ter zitting van de Raad van 27 februari 1998 verscheen klager in persoon. Betrokkene had van tevoren laten weten niet te zullen verschijnen. De Raad heeft de behandeling van de klacht aangehouden teneinde klager in de gelegenheid te stellen alsnog een aantal nadere producties over te leggen. Bij brief van 6 maart 1998 met 10 bijlagen heeft klager de klacht aangevuld. Betrokkene heeft daarop gereageerd met een brief van 9 april 1998, voorzien van 18 bijlagen. Vervolgens hebben klager en betrokkene met brieven van respectievelijk 22 april en 19 mei 1998 op elkaars producties gereageerd.
De klacht is behandeld ter zitting van de Raad van 28 mei 1998. Beide partijen waren daarbij aanwezig. Tijdens de zitting is een bandopname bekeken van de uitzending van 14 november 1997 van het programma Peter R. de Vries, misdaadverslaggever.
De eerst na de zitting ontvangen brief van klager van 27 mei 1998 met bijlage is door de Raad niet bij zijn beoordeling betrokken.

DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten.

In een publicatie in Het Parool van 3 oktober 1997 besprak betrokkene een serie televisie-uitzendingen van Peter R. de Vries, misdaadverslaggever. De uitzendingen hadden betrekking op de uit het criminele circuit bekende Steve Brown. In zijn artikel stelt betrokkene onder meer dat klager lange tijd dik bevriend was met Brown en dat klager, toen hij nog voor het blad Panorama schreef, verklaringen van Brown kocht en de opbrengst met hem deelde. Betrokkene zegt te hopen dat een aantal zaken met betrekking tot de televisie-uitzendingen over Brown dat tot nu toe onderbelicht is gebleven, waaronder de rol van klager, tot op de bodem zal worden uitgezocht.
Op 15 november 1997 publiceerde Het Parool een artikel van betrokkene naar aanleiding van de rechtbankzitting in de strafzaak tegen de Urka-organisatie. Hij zegt daarin dat klager de 'ghostwriter' van drugsbaron Urka zou zijn, bij wie het manuscript van een reeks interviews werd aangetroffen, toen hij eind 1996 in Parijs werd aangehouden. Klager, aldus betrokkene voorts in dit artikel, werd een paar jaar geleden bij het tijdschrift Panorama 'de laan uit gestuurd nadat gebleken was dat hij met Brown ook zakelijke activiteiten had ontwikkeld'.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager ontkent verklaringen van Brown te hebben gekocht en de opbrengst daarvan met Brown gedeeld te hebben. Hij zou een professionele en kritische verhouding met Brown gehad hebben. Een door betrokkene als productie overgelegde verklaring, die de samenwerking tussen klager en Brown bevestigt, wordt door klager als een vervalsing betiteld.
Klager vindt de beweringen van betrokkene lasterlijk en kwaadaardig. De opmerking dat zijn rol door de politie moet worden uitgezocht beschouwt hij als een poging om zijn imago te beschadigen.
Klager ontkent bij Panorama te zijn ontslagen, zoals door betrokkene wordt gesuggereerd. Hij zou nooit in een dienstverband met Panorama hebben gewerkt. De (freelance) relatie is op een voor beide partijen bevredigende manier beëindigd, hetgeen niets met Brown te maken had, aldus klager. De bewering dat hij 'ghostwriter' van Urka zou zijn noemt klager smadelijk en onjuist.

Betrokkene verwijst voor het bestaan van een zakelijke relatie tussen klager en Brown onder meer naar twee door hen beiden ondertekende schriftelijke verklaringen, waarvan één door klager zelf als productie is overgelegd, en naar tussen klager en Brown gevoerde correspondentie. Hij verwijst ook naar passages in het boek 'Steve Brown, Drugsbaron in Spijkerbroek' van de hand van Brown, waarin de relatie en de gemaakte afspraken tussen klager en Brown uiteen worden gezet. Zijn opmerking, dat de politie de zaak tot de bodem zou moeten uitzoeken, had volgens betrokkene betrekking op de televisie-uitzendingen van De Vries over Brown. De rol van klager is slechts één aspect daarvan dat uitgezocht zou moeten worden.
Betrokkene verwijst voorts naar een kort geding dat klager tegen Panorama voerde, met als inzet onder meer dat het blad klager weer als verslaggever aan het werk zou moeten laten.
Klager maakte in één van de uitzendingen van Peter R. de Vries bekend dat hij een boek schrijft over de 'erven Bruinsma', waartoe hij Urka zou hebben geïnterviewd. Toen Urka werd aangehouden werd het manuscript van een reeks interviews bij hem aangetroffen. Urka zou daar zelf over gezegd hebben dat het te maken had met een boek waarmee hij bezig was. In de media is in verband daarmee consequent gesproken over Urka's 'ghostwriter'. De gevolgtrekking dat klager die 'ghostwriter' is, ligt daarom voor de hand, aldus betrokkene.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De klachten met betrekking tot het eerste artikel zijn ongegrond. Klager heeft weliswaar betwist dat hij, zoals in dat artikel te lezen valt, dik bevriend was met Brown, maar aan die betwisting komt geen betekenis toe in het licht van het feit dat hij die relatie in een door betrokkene overgelegd artikel in HP/De Tijd zelfs als 'warm' typeert, van welke uitlating door klager niet gesteld is dat deze door hem niet is gedaan. Overigens mocht betrokkene ook aan de stukken waarop hij zich in dit verband heeft gebaseerd, de overeenkomst van 15 juli 1992 tussen klager en Brown en een reeks citaten uit het boek "Drugsbaron in Spijkerbroek", de conclusie verbinden dat er tussen klager en Brown een meer dan zuiver professionele journalistieke relatie bestond. En evenzeer dat sprake was van, zoals betrokkene het enigszins ongenuanceerd maar in wezen niet onjuist formuleert, kopen van verklaringen van Brown en delen van de opbrengst daarvan. Anders dan klager ziet de Raad niet in dat het betrokkene niet vrijstond te schrijven dat hij een politie-onderzoek wenselijk achtte naar onder meer de rol van klager bij de in het artikel besproken in een vechtpartij culminerende televisie-uitzendingen.

Wat het tweede artikel betreft, deelt de Raad niet de bezwaren van klager tegen de bewering dat hij bij Panorama de laan werd uitgestuurd. Uit de overgelegde stukken betreffende het in 1995 door klager tegen VNU gevoerd kort geding blijkt immers voldoende dat de destijds tussen klager en Panorama bestaande overeenkomst niet, zoals klager stelt, door hemzelf maar door Panorama is beëindigd. Daarnaast valt niet in te zien dat de uitdrukking 'de laan uitgestuurd' slechts op haar plaats zou zijn in het geval van beëindiging van een dienstbetrekking en niet in het zich hier voordoende geval van beëindiging van een freelance-overeenkomst. Betrokkene heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij voldoende grond had voor de in het artikel gewekte suggestie dat die stap van Panorama was gebaseerd op het ontwikkelen door klager van zakelijke activiteiten met Brown. Dit punt is echter in het geheel van het artikel van te ondergeschikte aard om tot gegrondbevinding van de klacht te kunnen leiden.

In het door de Raad ter zitting bekeken programma van Peter R. de Vries is klager geïntroduceerd als de auteur van het bij Urka aangetroffen manuscript. Klager liet tijdens de uitzending bij herhaling in het midden of deze informatie correct was. Ook ten overstaan van de Raad heeft klager ontkend noch bevestigd dat hij Urka heeft geïnterviewd. Naar het oordeel van de Raad had betrokkene voldoende aanleiding om het kennelijk ook bij anderen bestaande vermoeden, dat klager de 'ghostwriter' zou zijn met wie Urka een boek schrijft, te vermelden. Ook dit onderdeel van de klacht is ongegrond.

BESLISSING

De Raad acht de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in Het Parool te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 3 juli 1998 door mr. J.B. Fleers, voorzitter, mr. D.T. Dalmolen, Mw. mr. V. Keur, Mw. J.A. Koerts, drs. K.J. van der Zande, leden, in tegenwoordigheid van mr. I.H.J. Konings, secretaris.

Uitspraak 1998-21