1998/20 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

de Nederlandse Politiebond

tegen

de hoofdredacteur van de Volkskrant

Bij brief van 4 maart 1998 met 3 bijlagen heeft J.W.F. van Duijn, voorzitter van de Nederlandse Politiebond te Amsterdam (klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredactie van de Volkskrant (betrokkene). Hierop is door P. Brill, adjunct-hoofdredacteur, gereageerd in een brief van 18 maart 1998.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 28 mei 1998, in aanwezigheid van partijen. Namens klager verscheen de heer J.W.F. van Duijn. Namens betrokkene verscheen de heer P. Brill.

DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten.

Op 19 februari 1998 publiceerde De Volkskrant een hoofdredactioneel commentaar onder de kop 'Politiewet'. Aanleiding hiervoor vormden de door de ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie voorgestelde wijzigingen in het politiebestel. In het stuk komt de volgende zin voor:
Iedereen weet dat de CAO een obstakel vormt voor een flexibele inzet van politiepersoneel, maar andermaal bleek de minister niet tot kordaat beleid in staat.
Klager heeft diezelfde dag de redactie van de krant per fax gevraagd waar deze passage op was gebaseerd en wat de bedoeling ervan was. Op 24 februari 1998 is eveneens per fax een rappel verstuurd. Betrokkene had op het moment van indiening van de klacht nog niet gereageerd op beide faxberichten.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Volgens klager is het eerste deel van de hiervoor geciteerde zin onzorgvuldig omdat het daarin gestelde niet op de feiten gebaseerd is. Het kan om meer redenen niet waar zijn dat iedereen weet dat de CAO een obstakel voor flexibele inzet vormt. Het grote publiek weet volgens klager niet dat bij de politie geen sprake is van een CAO in de zin van de Wet op de Collectieve Arbeidsovereenkomst. Dat publiek kent ook niet de inhoud van de kennelijk bedoelde Overeenkomst inzake de Arbeidsvoorwaarden voor de sector politie 1997-1998. Een obstakel als in het artikel bedoeld bevat die overeenkomst niet. Net als arbeidsvoorwaarden beoogt die Overeenkomst uiteraard onder meer wel bescherming te bieden tegen ongebreidelde inzet van werknemers.

Een redactioneel commentaar beoogt volgens betrokkene een beredeneerde mening te geven. Feitelijke onderbouwing is slechts in beperkte mate mogelijk, daarvoor dienen andere kolommen in de krant. Betrokkene verwijst naar een aantal in de pers verschenen artikelen, waaruit zou blijken dat menigeen van oordeel is dat de flexibele inzet van politiepersoneel problematisch is, ook sinds de invoering van de Overeenkomst inzake Arbeidsvoorwaarden voor de sector politie 1997-1998.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Voor de lezer van het betreffende redactionele commentaar zal aanstonds duidelijk zijn geweest dat de zinsnede 'Iedereen weet dat de CAO een obstakel vormt voor een flexibele inzet van politiepersoneel (...)' letterlijk genomen niet waar kan zijn en dus ook niet letterlijk genomen moet worden. Bedoeld is kennelijk tot uitdrukking te brengen dat vanuit de kring der hier tot oordelen bevoegden vrij sterk het geluid klinkt dat de voor de politie geldende arbeidsvoorwaarden, meer dan in andere sectoren het geval is, problemen opleveren bij het streven naar een uit maatschappelijk oogpunt optimale flexibiliteit. Aldus opgevat is met betrekking tot de gewraakte zinsnede, waaraan enige overdrijving overigens niet vreemd is, geen sprake van een overschrijding van de grenzen van de journalistieke verantwoordelijkheid, zodat de klacht ongegrond is.

BESLISSING

De Raad acht de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in de Volkskrant te publiceren.

Aldus vastgesteld door de Raad op 3 juli 1998 door mr. J.B. Fleers, voorzitter, mr. D.T. Dalmolen, Mw. mr. V. Keur, Mw. J.A. Koerts en drs. K.J. van der Zande, leden, in tegenwoordigheid van mr. I.H.J. Konings, secretaris.

Uitspraak 1998-20